Sola Scriptura
In reactie op de Vrije-Interpretatie ‘Ruimte voor elkaar’[1] probeerde ds. Van Gent argumenten te geven waarom het centrale punt in dat artikel niet zou kloppen. De door Van Gent aangevoerde argumenten zijn zorgwekkend te noemen. Zorgwekkend, omdat zijn argumentatie naar de kern erop neerkomt dat niet Gods Woord het laatste woord heeft, maar de generale synode. Er is bij Van Gent sprake van verabsolutering van synodebesluiten die boven de Schrift zelf uitgaan. Niet de Schrift blijkt de hoogste norm, maar de uitleg van de Schrift door de generale synode. Het zijn standpunten die krachtig moeten worden verworpen door de CGK, omdat zij zonder meer in strijd zijn met het belijden van de CGK, zoals zij dat verwoordt in artikel 7 van de Nederlandse geloofsbelijdenis. Waar de CGK belijdt dat men ook generlei mensen schriften, hoe heilig zij geweest zijn, gelijkstellen mag met de Goddelijke Schriften, noch de gewoonte met de waarheid Gods (want de waarheid is bovenal), noch de grote menigte, noch de oudheid, noch de successie van tijden of personen, noch de conciliën, decreten of besluiten, want alle mensen zijn uit zichzelf leugenaars (Ps. 116:11) en ijdeler dan de ijdelheid zelf[2], stelt Van Gent dat “(...) deze (gewetens)bezwaren zijn getoetst door de GS en in meerderheid afgewezen. Daarna heeft geen enkele kerk of predikant uitgesproken deze besluiten niet voor vast en bondig te houden”.[3]
Praktische implicaties
Om de ernst hiervan te begrijpen, is het van belang om te beseffen dat in ‘Ruimte voor elkaar’ op basis van feiten is aangetoond dat er een groot aantal kerkenraden waren die principiële bezwaren hadden tegen vrouwenkiesrecht, omdat het stemrecht van de gemeente een regeerdaad zou zijn. Om die reden zou het stemrecht niet aan de vrouw toekomen, want regeerdaden zouden, op grond van de Schrift, uitsluitend zijn voorbehouden aan bekwame mannenbroeders. Van Gent stelt dat, doordat de generale synode oordeelde dat de tegen deze uitspraak ingebrachte bezwaren niet genoegzaam zijn gefundeerd op Schrift, belijdenis en kerkorde[4], daarmee het besluit van de generale synode Hilversum ook voor de bezwaarden niet langer in strijd met de Schrift zou zijn. Daarvoor vindt hij bevestiging in het feit dat daarna geen enkele kerk of predikant zou hebben uitgesproken deze besluiten niet voor vast en bondig te houden. Zou Van Gent hier een punt hebben, dan zou er geen uitzondering op het vrouwenkiesrecht meer nodig zijn. Immers, dan zouden de door de professor Hovius, ds. Tanis en later ds. P. Roos en ds. J. Kieviet geuite principiële bezwaren dat het besluit in strijd met de Schrift niet meer bestaan. In dat geval zouden alle redenen tegen vrouwenkiesrecht ook niet meer bestaan. Een beroep op de in 1968 door de meerderheid aanvaarde uitzondering van de ‘kan-bepaling’ zou dan betekenen dat het onthouden van het stemrecht aan vrouwen geen grond heeft. Dat is niet anders dan zusters van de gemeente discrimineren. Immers, de bezwaren tegen vrouwenkiesrecht bestonden niet meer doordat de meerderheid die bezwaren had verworpen, zodat er geen enkele reden meer was om het stemrecht aan vrouwen te onthouden. Nu de bezwaarde minderheid door de meerderheid was overtuigd, impliceert dit dat de bezwaarde gemeenten als Barendrecht, Katwijk aan Zee, Utrecht-Noord ineens van gedachten zouden zijn veranderd. Dat is onwaarschijnlijk. Een besluit is in strijd met de Schrift of het is dat niet. Er is geen tussenweg, in die zin dat een besluit een beetje in strijd is met de Schrift en voor een ander beetje weer niet. En als een kerklid of kerkenraad een besluit in strijd met de Schrift heeft bevonden, mag zij zich niet onderwerpen aan dat besluit, zegt artikel 7 van de NGB nadrukkelijk. Naast het feit dat een synodebesluit niet gelijkgesteld mag worden aan Gods Woord, is hij ook verplicht om een dergelijk synodebesluit te verwerpen.[5] Alles wat niet overeenkomt met de Schrift verwerpt eenieder die artikel 7 NGB belijdt. Wat niet anders is dan het verwerpen van een on-Bijbels synodebesluit. Daarenboven belijden de kerken van de CGK ook dat zij alle ingevingen en wetten om God te dienen verwerpen, die op wat voor wijze dan ook, daardoor dwang uitoefenen over het geweten.[6] En ook hiervoor geldt dan dat synodebesluiten die dwang uitoefenen over het geweten van de gelovige of kerkenraad, eenvoudigweg niet voor vast en bondig kunnen of zelfs niet mogen worden gehouden. En dat is exact wat artikel 31 K.O. ook voorschrijft; besluiten worden door de kerken uiteraard voor vast en bondig gehouden, tenzij dat besluit in strijd is met de Schrift, de belijdenis of de kerkorde. Die verwerping van kerkelijke besluiten komt niet voort uit een besluit of goedkeuring van een kerkelijke vergadering, zoals de generale synode, maar zij is gegrond op en vloeit onmiddellijk voort uit Gods Woord zelf. Een dergelijk besluit kan eenvoudigweg niet rechtsgeldig zijn voor een kerklid en/of kerkenraden. De afwijzing van de bezwaren door de generale synode betekent namelijk niet dat de bezwaarden ontheven zijn van hun plicht om on-Bijbelse besluiten te verwerpen, maar dat de synode in meerderheid van oordeel is dat de bezwaren geen reden zijn om door haar als meerderheid eerder genomen besluit te herzien of zelfs te herroepen.
Gereformeerd verzet
En natuurlijk valt te begrijpen dat daarmee de indruk zou kunnen ontstaan dat de rechtsgeldigheid van kerkelijke besluiten op losse schroeven zou komen te staan als plaatselijke kerken synodebesluiten niet voor vast en bondig houden. Dat is echter niet het geval. De hoofdregel is dat kerkelijke besluiten die met meerderheid van stemmen zijn genomen door iedereen binnen het kerkverband voor vast en bondig worden gehouden. Het willekeurig zich aan besluiten onttrekken of zich daaraan niets gelegen laten liggen, is niet aan de orde, uiteraard. Uitsluitend als de uitzondering op de hoofdregel zich voordoet, kan er geen gebondenheid zijn aan een kerkelijk besluit. Feit is dat dit in de praktijk slechts in zeer beperkte mate voordoet, zodat die vrees ongegrond is. En zeker, hiervan kan misbruik worden gemaakt, maar dat is geen reden om de hoofdregel van de Reformatie, dat men op grond van Gods Woord zich formeel tegen het wettig bestaande mag/moet verzetten, niet te handhaven. Er zou vandaag de dag geen Hervormingsdag zijn geweest, omdat dan zou moeten worden gewacht tot de Roomse kerkleiding zelf het initiatief tot hervorming zou nemen. De kern van de Reformatie kan niet worden prijsgegeven, omdat daarvan ook misbruik zou kunnen worden gemaakt. Daarom kent het gereformeerde kerkrecht het recht en de plicht voor eenieder om zich te verzetten tegen genomen besluiten, die in strijd zijn met schrift, belijdenis en orde.[7] En het was Luther, die tijdens de Rijksdag te Worms in 1572, in antwoord op de vraag of hij zijn boeken wilde herroepen, afsloot met de woorden:
‘Tenzij men mij met getuigenissen van de Heilige Schrift of met redelijke argumenten van mijn ongelijk overtuigt, kan en wil ik niet herroepen. Ik geloof niet in de paus noch in , concililies, daar het klaar als de dag is dat zij menigmaal gedwaald hebben en dat zij zichzelf vaak hebben tegengesproken. Ik sta sterk met wat ik in mijn geschriften uit de Schrift heb aangehaald. Mijn geweten is in Gods Woord gevangen! Het is niet veilig noch geraden iets te doen wat ingaat tegen het geweten!’[8]
Fundamentele bezwaren
Onmiskenbaar blijkt uit de eerder genoemde minderheidsrapporten en revisieverzoeken dat er niet zomaar sprake is van bezwaren, maar van bezwaren van fundamentele aard. Het niet gelijkstellen van synodebesluiten aan de Bijbel, maar zelfs die niet aanvaarden als zij in strijd is daarmee of het verwerpen daarvan, omdat zij het geweten gegrond op Gods Woord bindt, zijn geen vrijblijvende opties, maar verplichtingen, die voortvloeien uit en gebaseerd zijn op de Schrift. Verder blijkt uit de acta zonder enig voorbehoud dat de bezwaarde minderheid over het vrouwenkiesrechtbesluit weldegelijk hebben uitgesproken dat het voor hen niet voor vast en bondig kon worden gehouden, omdat het voor hen - niet voor de meerderheid dus - een besluit betreft in strijd met Schrift en belijdenis. Uit niets blijkt dat die minderheid haar bezwaren zou hebben opgegeven, wat ook verwonderlijk zou zijn, omdat -voor hen- deze besluiten in strijd zijn met de Schrift en het geweten onaanvaardbaar zijn. Om die reden is het feit dat bezwaarde gemeenten tot op de dag van vandaag geen vrouwenkiesrecht kennen, niet dankzij de ‘kan-bepaling’ in het synodebesluit van 1968, maar ondanks die bepaling. De rechtvaardiging om vrouwen geen stemrecht te geven, ligt daarom voor de bezwaarde kerken niet in het synodebesluit en de afwijzing van de bezwaren tegen dat besluit, zoals Van Gent ten onrechte beweert, maar in de hun gewetensvolle visie op de Schrift en het belijden.
Passieve verdraagzaamheid
Evenmin is de aanname van Van Gent juist dat bezwaarden hun bezwaren laten toetsen door de breedste vergadering. Dat is flagrante strijd met het belijden van de kerk, het gereformeerde kerkrecht en de beginselen van de Reformatie. De bezwaarden leggen niet hun bezwaren voor om die te laten toetsen aan de kerkelijke vergadering, maar zij brengen hun bezwaren in om de kerkelijke vergadering ervan te overtuigen dat haar besluit in strijd is met Schrift, belijdenis en kerkorde; om die reden kan een dergelijk besluit voor hen niet voor vast en bondig worden gehouden. Laat de kerkelijke vergadering zich niet overtuigen, dan ontstaat er een andere situatie. Dan moeten bezwaarden blijven aandringen op verandering of de vrijheid verkrijgen om er niet naar te handelen.[9] Dat wil zeggen dat de meerderheid officieel de ruimte geeft om niet naar dat besluit te handelen, omdat het besluit in geweten gegrond op Gods Woord niet voor vast en bondig kan worden gehouden door bezwaarden. Lukt het niet om aan te dringen op verandering of wordt de vrijheid niet verkregen, dan moet een bezwaarde het besluit, ter wille van de kerkelijke orde tolereren. Dit geldt echter uitsluitend onder de strikte voorwaarde dat de bezwaarde in zijn geweten niet gedwongen wordt om zelf iets te doen, niet te doen of te beloven. Het gaat hierbij dus om passieve verdraagzaamheid; het dulden van een besluit, dat de bezwaarde niet voor vast en bondig houdt en daarom niet uitvoert. Onoorbare dwang omvat echter meer dan alleen een actief gebod; het houdt evengoed in dat kerkleden en plaatselijke kerken gedwongen worden om iets niet te doen, terwijl zij daarvan op grond van hun geweten ten diepste overtuigd zijn dat het besluit verworpen moet worden, omdat het niet met Gods Woord overeenkomt. In dit verband verwijst dr. Bert Loonstra naar een uitspraak van ds. Quant, bij leven een alom gerespecteerd kerkrechtspecialist, die verklaarde dat een kerkenraad geen homo’s van het avondmaal kan weren puur om het feit dat de synode dat heeft bepaald. Hij kan dat alleen doen als hij zelf ervan overtuigd is dat God dit gebiedt. Loonstra concludeert dan dat je je alleen aan zo’n synodale bepaling kunt houden, als je de onderliggende argumentatie aanvaardt.[10] Dit alles zijn uitwerkingen van het feit dat het gezag van kerkelijke besluiten in meerdere vergaderingen altijd limitatief is als bedoeld in artikel 31 K.O. j.o. artikelen 7 en 32 NGB. Daarmee is het vrouwenkiesrechtbesluit voor de bezwaarden nog steeds niet voor vast en bondig te houden, omdat de gronden van bezwaar niet zijn weggenomen; maar er is wel een modus gevonden om desondanks de kerkelijke eenheid te bewaren. En in feite sluit dit naadloos aan op het citaat van ds. Roos in Vrije-Interpretatie ‘Ruimte voor elkaar’, die opmerkte:
“Uw vergadering staat hier voor een uiterst moeilijk dilemma. Niemand en dat geldt ook voor de bezwaarden, mag een ander dwingend binden tot een wijze van handelen, waarvan de ander o.g.v. de H.S. de noodzaak niet inziet. Deze zaak demonstreert misschien een kloof, die er lijkt te bestaan in de voorname hoofdzaken?”[11]
Kerkelijke eenheid
En daarmee is er dan ook geen sprake van dat in ‘Ruimte voor elkaar’ de Rijnsburggroep in de verdachtenbank zou worden geplaatst, integendeel. Het artikel laat wel zien dat er onvoldoende gronden zijn voor de Rijnsburggroep om zichzelf buiten de CGK te organiseren in een eigen kerkverband en dat er daarentegen meer dan genoeg redenen zijn voor de Rijnsburggroep om in te gaan op de uitnodiging van de generale synode van de CGK om het gesprek aan te gaan. In het licht van Hervormingsdag is het een extra aansporing om door de band van de liefde de eenheid te bewaren die de Geest geeft, omdat er ook inzake vrouw en ambt en homoseksualiteit voldoende redenen zijn om elkaar uit liefde te verdragen, omdat “Boven alle macht van kerkelijke vergadering staat Gods Woord”;[12] sola scriptura. Wie zich dat ten volle realiseert, gaat het gesprek aan met de generale synode, omdat onze God namelijk geen God van wanorde is, maar van vrede.
______________
[1] https://vrijeinterpretatie.nl/ruimte-voor-elkaar;
[2] Artikel 7 NGB, en in gewone taal: “We mogen ook geen enkel boek, hoe heilig of goed die schrijver ook geweest is, gelijkstellen aan de Bijbel. De tradities mogen ook niet op gelijke hoogte staan met de waarheid van God, want de waarheid van de Bijbel gaat boven alles. Dit geldt ook voor de mening van de meerderheid van het volk, dingen die sinds mensenheugenis gelden, zaken die op een kerkelijke vergadering zijn besloten, pauselijke bevelen, het kerkrecht of andere besluiten. Want alle mensen zijn uit zichzelf een leugenaar (Ps. 116:11) en zijn lichter dan een zucht”.
[3] https://x.com/wjvangent/status/2116237081982734587;
[4] Acta 1971, generale synode Zwolle - Apeldoorn, artikel 173, pagina 103, besluit 8
[5] Daarom verwerpen wij van ganser harte al wat met dezen onfeilbaren regel niet overeenkomt, gelijk ons de apostelen geleerd hebben, zeggende: Beproeft de geesten of zij uit God zijn, 1 Joh. 4:1. Insgelijks: Indien iemand tot ulieden komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis, 2 Joh. 1:10.
[6] Artikel 32 NGB; En daarom verwerpen wij alle menselijke vonden, en alle wetten, die men zou willen invoeren, om God te dienen, en door deze de consciënties te binden en te dwingen, in
wat manier het zou mogen zijn.
[7] Rutgers, F.L. (1892-) Art. 31. (z.d.-d). https://kerkrecht.nl/node/1310/
[8] Exalto, D. K. (1971b, april 17). „Mijn geweten is in Gods Woord gevangen". Digibron.
https://www.digibron.nl/viewer/collectie/Digibron/id/tag:RD.nl,19710417:newsml_0eaaa7461ea56d66bf737252eea2da93; zie in dit verband ook Vrije-Interpretatie: https://vrije-interpretatie.nl/luther-en-de-vierslag;
[9] Rutgers, F.L. (1892-) Art. 31. (z.d.-e). https://kerkrecht.nl/node/1310/, pagina 125-126
[10] https://bertloonstra.nl/recent/uitdaging-voor-de-synode-van-hoogeveen-3-verbondenheid/
[11] Acta generale synode Rotterdam, 1971-1972, Bijlage XXXVII, p. 218-221
[12] Rutgers, F.L. (1892-) Art. 31. (z.d.-e). https://kerkrecht.nl/node/1310/, pagina 125-126
Reactie toevoegen