Ruimte voor elkaar
In de eerste vergaderweek van de generale synode van de CGK heeft zij besloten om alle kerkenraden de gelegenheid te bieden om hun zienswijze te geven op de situatie binnen de CGK over onderling vertrouwen, ecclesiologie, hermeneutiek en afwijken van synodale besluiten te beluisteren van alle christelijke gereformeerde kerken die dat willen.[1] De uitnodiging betreft alle CGK-kerken, dus inclusief de Rijnsburggroep. De aanleiding hiervoor is dat de CGK in een diepe crisis verkeert en dreigt te scheuren door de controverse over de kwestie Vrouw en Ambt. De Rijnsburggroep heeft zich inmiddels buiten de structuur van de CGK als nieuw kerkgenootschap georganiseerd. Zij vindt dat synodebesluiten, zeker na revisie, onvoorwaardelijk moeten worden nagekomen, waaronder ook het synodebesluit dat de ambten voorbehouden zijn aan mannen. Zij beschouwen afwijking van dat besluit als een onaanvaardbare inbreuk op de kerkorde en de kerkelijke eenheid. De recente kerkgeschiedenis onthult echter een fundamentele inconsistentie in deze eis tot strikte handhaving. Tussen 1968 en 1971 speelde exact dezelfde thematiek, maar dan toegespitst op het vrouwenkiesrecht. Ook toen verdeelde het verschil in Schriftverstaan de synodevergadering. Een minderheid weigerde toen ook het synodebesluit voor ‘vast en bondig’ te houden, met een beroep op de schrift en artikel 7 NGB en een expliciet beroep op gewetensdwang, ex artikel 32 NGB. Toch leidde dit destijds niet tot een kerkscheuring. De reden daarvoor is dat de niet-bezwaarde kerken de overtuiging van de bezwaarde kerken nooit hebben geproblematiseerd, maar die in feite hebben geneutraliseerd door een zorgvuldige formulering van het synodebesluit. De wijze waarop is omgegaan met het vrouwenkiesrecht is voor de CGK vandaag een goed voorbeeld waarom principiële verschillen in schriftverstaan over de openstelling van de ambten vandaag de dag geen reden hoeven te zijn voor een kerkscheuring. Het is een hoopvol voorbeeld dat voor de generale synode Hoogeveen en de Rijnsburggroep inzichtgevend kan zijn.
Zelfde thematiek
In een eerdere Vrije-Interpretatie is aandacht gevraagd voor de geschiedenis van de CGK rondom vrouwenkiesrecht.[2] Toch is het goed om nogmaals de aandacht te vestigen op de kwestie van het vrouwenkiesrecht. Daarbij is het van belang om voor ogen te houden dat het onderwerp van toen, vrouwenkiesrecht, en het onderwerp van vandaag ‘vrouw en ambt’, weliswaar twee verschillende onderwerpen zijn, maar tegelijk dezelfde thematiek hebben. In beide gevallen gaat het om het verschillen in Schriftverstaan over de vraag of vrouwen leidinggevende posities in de Christelijke gemeente mogen vervullen dan wel of die enkel zijn voorbehouden aan mannen. De positie van de vrouw speelde destijds bij de kwestie van het stemrecht voor vrouwen een centrale rol en zij speelt vandaag de dag nog steeds dezelfde rol. Voor vrouwenkiesrecht stond de vraag centraal of het stemrecht van de gemeente is aan te merken als een regeerdaad. Tegenstanders van vrouwenkiesrecht vinden dat het stemrecht een regeerdaad is. Zij zijn op grond van de Schrift de overtuiging toegedaan dat een leidinggevende positie niet toekomt aan de vrouw, maar uitsluitend aan de man. De toenmalige bezwaarden groeperen zich nu in en rondom de Rijnsburggroep. Er zijn geen aanwijzingen dat hun standpunt over het vrouwenkiesrecht zou zijn gewijzigd. Zij vinden nog steeds dat het recht om ambtsdragers te kiezen en te stemmen over een te beroepen predikant een regeerdaad is. Tegelijkertijd vinden zij ook dat vanuit gereformeerde ambtsopvatting het regeerambt uitsluitend toekomt aan mannen en niet aan vrouwen. Daartegenover staat de opvatting dat het stemrecht niet slechts is voorbehouden aan mannen, maar ook aan vrouwen toekomt. In de eerste plaats omdat het stemrecht geen regeerdaad is, maar in latere instantie ook omdat de overtuiging is gegroeid dat de traditionele ambtsvisie berust op een verkeerde Schriftuitleg. In deze visie biedt de Schrift overtuigend bewijs dat ook vrouwen leidinggevende posities kunnen bekleden. Een recente studie hierover die deze Schriftopvatting verdedigt, is het boek van dr. Steensma, ‘Geroepen tot de dienst’.[3]
Instructie 1965
Het onderwerp vrouwenkiesrecht kwam ter tafel van de generale synode Zwolle - Apeldoorn in 1965. De kerkenraad van Amsterdam - West had uitgesproken dat het hem vrijstaat alle belijdende en niet-gecensureerde leden van de gemeente in de kiesrechten inzake het beroepen van een predikant en de verkiezing van ouderlingen en diakenen te doen delen, en er bij de generale synode op aan te dringen hetzelfde uit te spreken. De instructie luidde:
Letterlijke instructie
De synode gaat over tot de bespreking van de instructie van de particuliere synode van het Westen (7.05) die luidt:
De particuliere synode van het Westen, gehoor gevende aan het desbetreffende verzoek van de classis Amsterdam, zendt de volgende uitspraak van de kerkeraad van Amsterdam-West door aan de generale synode, daarbij met nadruk vaststellende dat zij over de in geding zijnde interpretatie van de genoemde artikelen van de Kerkorde geen oordeel uitspreekt:
De kerkeraad van Amsterdam-West, naar aanleiding van een desbetreffend verzoek uit de gemeente, overwegende wat Schrift, belijdenis en kerkorde terzake zeggen, voor welke overwegingen hij verwijst naar bijgaande toelichting (bijlage LXXXIII) is van oordeel dat in geval een kerkeraad overtuigd is dat het naar Schrift, belijdenis en kerkorde niet geoorloofd is in de artikelen 4 en 22, resp. 24, van de Kerkorde nu eens de gehele gemeente, voorzover belijdend lid en niet gecensureerd, dan weer een deel van de gemeente te verstaan geen belijdend lid van de gemeente, tenzij staande onder censuur, mag worden uitgesloten van uitoefening van de in deze artikelen erkende rechten van de gemeente, spreekt uit dat het in dat geval hem vrijstaat alle belijdende en niet-gecensureerde leden van de gemeente in deze rechten te doen delen, en dringt er bij de generale synode op aan hetzelfde uit te spreken”.[4]
Kerkelijke ruimte
Uit het rapport VII van Commissie III betreffende het kiesrecht van de gemeente bij deze instructie blijkt dat er Schriftuurlijke, confessionele en kerkordelijke argumenten zijn op grond waarvan het kiesrecht aan alle niet gecensureerde gemeenteleden toekomt, inclusief vrouwen dus. De commissie concludeert namelijk dat als een kerkenraad tot de overtuiging komt dat de uitsluiting van vrouwen niet te handhaven is in het licht van de Schrift, er confessioneel noch kerkordelijk enig bezwaar is om alle belijdende en niet-gecensureerde leden van de gemeente te laten deelnemen aan de verkiezing van ambtsdragers, omdat er geen uitdrukkelijke bepaling is die dit verhindert, staat het de kerkenraad vrij om deze rechten aan de gehele gemeente toe te kennen.
Bijbelse gronden
Vanuit de Schrift onderbouwt de commissie haar standpunt door erop te wijzen dat zowel in het Oude - als het Nieuwe Testament vrouwen volwaardig deel uitmaken van de gemeente. Ook is er in het Nieuwe Testament geen expliciet gebod of verbod te vinden voor de deelname van vrouwen aan de verkiezing van ambtsdragers. De verhouding tussen man en vrouw niet moet worden genormeerd door de vloek uit Genesis 3:16, maar door de scheppingsgelijkwaardigheid uit Genesis 1 en 2. Het verlossingswerk van Christus herstelt de oorspronkelijke gelijkwaardigheid en bevrijdt van de vloek. Dit is zichtbaar in de houding van Jezus, die radicaal brak met de discriminerende opvattingen van Zijn tijd, en in de nieuwtestamentische gemeente waar vrouwen een actieve rol vervulden (Galaten 3:28).
Belijdenis
Op grond van de belijdenis oordeelt de commissie dat artikel 31 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis stelt dat ambtsdragers door een wettige verkiezing van de kerk verkozen behoren te worden. Binnen de kerk geldt een christocratie: Christus is het enige Hoofd en regeert de gemeente; ambtsdragers voeren geen heerschappij of willekeurige macht uit. De betrokkenheid van de gemeente bij de verkiezingen functioneert historisch als een noodzakelijk evenwicht tegen zowel hiërarchische willekeur van bovenaf als independentisme van onderaf.
Kerkorde
Met betrekking tot de kerkorde overweegt de commissie dat vroege gereformeerde kerkorden uit de 16e en 17e eeuw bij verkiezingen ongedifferentieerd spreken over de 'gemeente' en geen expliciet onderscheid maken naar geslacht. Pas in de 19e eeuw is het stemrecht in enkele kerkelijke reglementen nadrukkelijk beperkt tot de mannelijke leden. Het uitbrengen van een stem is geen daad van 'regeren' - gezagsuitoefening - en evenmin slechts 'adviseren', maar functioneert als het middel waardoor God mannen tot het ambt roept. Omdat stemmen geen regeren is, is er geen principiële grond om dit aan vrouwen te ontzeggen. Het seculiere principe dat actief kiesrecht automatisch passief kiesrecht - verkiesbaarheid voor het ambt - met zich meebrengt, is in de kerk onjuist; het is immers uitsluitend Christus die bepaalt wie Hij tot het bijzondere ambt roept. Een systeem van gezinshoofdenkiesrecht doet onrecht aan de positie van zelfstandige vrouwelijke belijdende leden, zoals weduwen en ongehuwde vrouwen.[5]
Nader onderzoek
Naar aanleiding van de instructie van de PS van het Westen, het commissierapport en de bespreking ter synode, besluit de vergadering tot het instellen van een commissie. In de overwegingen bij het besluit wordt opgemerkt dat aanvaarding van deze instructie en voldoen aan het verzoek, betekent dat de vrouwelijke leden van de gemeente mogen deelnemen aan de verkiezing van ambtsdragers; overwogen wordt dat daaraan verschillende kanten zitten zoals het karakter van het deelnemen aan de verkiezing; de verhouding ambt der gelovigen en bijzonder ambt; de verwerking van de Schriftgegevens over de positie van de vrouw; de verhouding ambt charisma. De commissie krijgt tot taak deze onderwerpen te bestuderen, in welke studie de in de eerste overweging genoemde facetten, alsmede het aan de synode aangeboden rapport over deze materie dienen betrokken te worden.[6]
Synode 1968
Tijdens de generale synode Hilversum in 1968 komt vervolgens het rapport van de door generale synode Zwolle - Apeldoorn aan de orde. Tijdens de bespreking van het deputatenrapport over het kiesrecht van de gemeente, wordt scherpe kritiek vanuit verschillende particuliere synoden en kerkenraden geuit. Onderdeel van die kritiek betrof het feit dat de onderzoekscommissie geen grondige theologische bezinning heeft gegeven over het karakter van het deelnemen aan de verkiezing, de verhouding tussen het ambt der gelovigen en het bijzondere ambt, en de betekenis van specifieke Bijbelteksten zoals 1 Timotheüs 2 en 1 Korinthe 14. Om te voorkomen dat de besluitvorming over het vrouwenkiesrecht hierdoor opnieuw zou worden uitgesteld, besloot de generale synode uiteindelijk om Commissie VII de opdracht te geven om nog tijdens de lopende synode een uitspraak voor te bereiden, die zich specifiek richt op het karakter van de verkiezing en het wezenlijke verschil tussen het kiesrecht van de vrouw en de vrouw in het ambt.[7] Dan blijkt dat het ook toen al niet lukte om met een rapport te komen; er is een meerderheids- en minderheidsrapport. Het meerderheidsrapport pleit voor vrouwenkiesrecht, terwijl het minderheidsrapport tegen vrouwenkiesrecht is, terwijl ook professor Hovius in zijn nota zich uitspreekt tegen vrouwenkiesrecht.[8]
Meerderheidsrapport
De meerderheid van de commissie is van oordeel dat het recht om ambtsdragers te verkiezen niet inherent is aan het ambt der gelovigen, maar door Christus aan de gemeente als geheel, collectief, is geschonken. Zij meent dat de methode van verkiezen niet in de Bijbel is voorgeschreven, variabel is en mag worden aangepast aan de omstandigheden. Daarbij is zij van oordeel dat stemmen geen regeren is in de volle zin van het woord, omdat het onderdeel is van een proces dat door de kerkenraad wordt bestuurd en pas effect krijgt door de benoeming. Daarentegen is stemmen in feite het opmerken van de gaven en de zalving van de Heilige Geest, die Christus aan de te beroepen broeders schenkt. De commissie merkt op dat, omdat deelnemen aan de verkiezing geen heersen over de man is, de Bijbelse verboden over het spreken en regeren van de vrouw (1 Korinthe 14, 1 Timotheüs 2) niet van toepassing zijn op het kiesrecht. De meerderheid van de commissie is dan ook van oordeel dat er een fundamenteel verschil is tussen het stemmen en het bekleden van het ambt: de Bijbel stelt absolute eisen aan de ambtsdrager, maar niet aan de verkiezingsmethode.
Minderheidsrapport
Duidelijk wordt dat de minderheid van de commissie in feite geen verschil ziet tussen het stemmen en het bekleden van het ambt. Zo wijst ds. M.C. Tanis erop dat de Schrift laat zien dat, bij nieuwtestamentische verkiezingen, zoals bijvoorbeeld in Handelingen 1 en 6, uitsluitend mannen betrokken waren. Bovendien is hij van oordeel dat gelijkwaardigheid in Christus, waarover bijvoorbeeld Galaten 3:28 gaat, de scheppingsorde niet opheft. De vrouw behoudt een dienende positie en heeft geen heersende taak. De verkiezing door de gemeente is geen vrijblijvend advies, maar het uitoefenen van de algemene regeermacht van de kerk. Met een beroep op Paulus is het de vrouw verboden op grond van de scheppingsordinantie om te regeren of te onderwijzen in de gemeente. De Schrift geeft daarom geen grond om haar te laten meewerken aan deze regeerdaad. Bovendien zou de invoering van het actieve kiesrecht een glijdende schaal vormen naar vrouw in het ambt.
Nota Hovius
In zijn notitie maakt professor Hovius duidelijk dat de kerk geen inherent democratisch of natuurlijk recht bezit. De bevoegdheid tot verkiezen is een exclusief door Christus geschonken recht, dat door de gemeente onder leiding van het ambt wordt uitgeoefend. Verder stelt Hovius dat verkiezen niet slechts adviseren is, maar het daadwerkelijk uitoefenen van de door Christus geschonken regeermacht. Bovendien blijkt volgens Hovius dat Christus deze specifieke uitoefening van regeermacht niet aan de vrouwelijke leden heeft gegeven, aangezien de Bijbel hiervoor geen positieve voorbeelden biedt en uitdrukkelijke verboden bevat tegen het uitoefenen van regeermacht door de vrouw. Verder verwijst Hovius naar gezaghebbende gereformeerde kerkrechtgeleerden, zoals Voetius, die de uitoefening van deze regeermacht in de verkiezing door de vrouw altijd hebben ontzegd.
Historische parallellen
Wie vervolgens het minderheidsrapport van ds. Tanis en de nota van Hovius vergelijkt met het meerderheidsrapport Vrouw en Ambt uit 2020-2022, ziet opvallende overeenkomsten in argumentatie. Volgens Tanis is het uitbrengen van een stem geen adviseren, maar daadwerkelijk "regeren". Deze regeermacht mag de vrouw niet uitoefenen. Het meerderheidsrapport ‘vrouw en ambt’ zegt over het karakter van het kerkelijk gezag dat het ten diepste geestelijk leidinggeven en onderwijzen is. Dit gezaghebbend leiden van de gemeente komt op grond van de Schrift de vrouw niet toe. Tanis schrijft in zijn rapport hierover:
Citaat Tanis
"De verkiezing is niet adviseren, maar regeren. Het is een daad van regeermacht, die door de gemeente wordt uitgeoefend”.[9]
Citaat vrouw en ambt
In het meerderheidsrapport Vrouw en Ambt schrijft de meerderheid:
"dat man en vrouw in de christelijke gemeente blijvend een eigen roeping hebben en dat het onderwijzen in de samenkomst van de gemeente en het geestelijk leidinggeven aan de gemeente alleen aan bekwame mannen toekomt;"[10]
Scheppingsorde 1968
Over de positie van de vrouw zegt Tanis bijvoorbeeld dat de man de eerste en heersende positie heeft gekregen bij de schepping en de vrouw ondergeschikt is aan de man. Letterlijk schrijft Hovius op dit punt:
"In de schepping is de man de eerste. De vrouw is gesubordineerd aan de man."[11]
Scheppingsorde vrouw en ambt
Het meerderheidsrapport Vrouw en Ambt laat zich in gelijke zin uit wanneer het zegt dat er is sprake is van principiële gelijkwaardigheid, maar tegelijkertijd er een door God gegeven "eigen positie" is waarin de man als "hoofd" een leidende rol - prioriteit - heeft. Het rapport merkt hierover op:
“De man heeft een leidende rol; met het CGK-rapport kunnen we hier spreken van 'prioriteit' of met het Nieuwe Testament van de man als 'hoofd', waarbij overigens op geen enkele wijze sprake is van meer en minder."[12]
Zwijgteksten 1968
Met betrekking tot de zogenaamde zwijgteksten zijn er ook opvallende overeenkomsten vast te stellen. Tanis betoogt dat Paulus verbiedt om te onderwijzen en te regeren op grond van de schepping, omdat het volgens hem een algemeen geldend en onveranderlijk voorschrift is. Hij schrijft:
"Waar nu de Schrift uitdrukkelijk verbiedt, dat de vrouw zal onderwijzen en regeren in de gemeente en wel op grond van de scheppingsorde, hoe zou het dan in overeenstemming met de Schrift geacht kunnen worden, dat de vrouw deelneemt aan de verkiezing..."[13]
Zwijgteksten vrouw en ambt
Het meerderheidsrapport Vrouw en Ambt stelt op dit punt dat de apostolische voorschriften geen tijdelijke, contextuele aanpassingen voor de cultuur van toen zijn, maar verwijzen naar een fundamentele orde. In het rapport wordt dat als volgt onder andere verwoord:
"(...) dat Paulus’ motivering van het zwijggebod duidelijk maakt dat het bij de positie van man en vrouw in de gemeente niet gaat om een louter contextuele aanwijzing of toepassing, maar om een fundamenteler orde die Paulus terug ziet gaan op de schepping;"[14]
Cultuur 1968
In het kader van hermeneutiek en de invloed van de cultuur op zaken als vrouwenkiesrecht en ‘vrouw en ambt’ komt bij Tanis naar voren dat hij van oordeel is dat het verlangen om mannen en vrouwen gelijk te stellen, voortkomt uit de heersende tijdgeest van bijvoorbeeld de Verlichting en de Franse Revolutie. Dat is een emancipatiezucht die indruist tegen Gods Woord. In dit verband verwijst hij ook naar de Bijbel waarin die emancipatiegedachte ook al zou bestaan. Hij schrijft daarover:
"In Paulus' dagen kwam de emancipatiezucht van de vrouw op. (...) Deze zucht heeft Paulus krachtig bestreden. Hij wijst er op welke plaats God in de scheppingsorde aan de vrouw gegeven heeft."[15]
"De begeerte om de vrouw het kiesrecht toe te kennen komt voort uit de beginselen van de Franse Revolutie. Men wil aan de vrouw gelijke rechten toekennen als aan de man."[16]
Cultuur vrouw en ambt
In dezelfde geest beargumenteert het meerderheidsrapport Vrouw en Ambt ook dat, hoewel de Bijbel wordt gelezen in onze eigen cultuur, de huidige egalitaire cultuur, die zich kenmerkt door het gelijkheidsdenken, niet de doorslaggevende norm van de Schrift mag ontkrachten. Het rapport schrijft letterlijk:
"In een gereformeerde Schriftbeschouwing zal de cultuur niet zoveel gewicht kunnen krijgen dat we het Woord in feite uitschakelen. De Schrift is wel in een bepaalde context ontstaan, maar wij ontvangen haar als het Woord van God dat alle mensen en alle tijden aanspreekt."[17]
"dat in de toepassing voor het heden de cultuur een grote, bijna normatieve plaats krijgt; [...] onjuist moeten worden geacht."[18]
Identieke argumenten
De conclusie moet dan ook zijn dat de argumentatie over vrouwenkiesrecht en Vrouw en Ambt voor de toenmalige minderheidscommissie en de latere meerderheidscommissie Vrouw en Ambt identiek zijn. Voor beide geldt dat het leidinggeven aan de gemeente - 'regeren' - bij Tanis en Hovius, hetzelfde is als het - 'geestelijk leidinggeven' - in het meerderheidsrapport van commissie in 2020-2022; in beide gevallen gaat het over de exclusieve roeping van bekwame mannen. Dit wordt in beide tijdvakken steevast verankerd in de scheppingsorde, bevestigd door de apostolische zwijgteksten van Paulus, en verdedigd tegen de invloed van het maatschappelijke gelijkheidsdenken.
Revisieverzoeken 1971
En diezelfde lijn komt ook tot uitdrukking in de revisieverzoeken die in 1971 worden ingediend tegen het synodebesluit van 1968. Tijdens de generale synode Hilversum weet de minderheid zijnde Tanis en Hovius de meerderheid niet te overtuigen. De generale synode besluit:
overwegende dat
a. de bedoeling van de instructie van de P.S. van het Westen (synode 1965-1966) en die van het Noorden (1968) is ruimte te verkrijgen voor het doen deelnemen van zusters der gemeente aan de verkiezing van ambtsdragers;
b. dat het commissierapport tegemoet is gekomen aan de bedoeling van de instructie van de P.S. van het Oosten en die van het Zuiden;
c. dat deelneming van de zusters aan de verkiezing van ambtsdragers niet is te beschouwen als een stap op de weg naar het toelaten van de vrouw tot het bijzondere ambt;
van oordeel dat
a. de wijze waarop aan de medewerking van de gemeente bij de verkiezing van ambtsdragers vorm gegeven moet worden, in de Schrift niet nauwkeurig wordt voorgeschreven;
b. er geen aanwijzingen in de Heilige Schrift zijn die reden geven de zusters der gemeente van het deelnemen aan de verkiezing uit te sluiten;
c. bij de verkiezing als middel waardoor Christus aan Zijn gemeente ambtsdragers geeft de medewerking van de gemeente zoveel mogelijk tot haar recht moet komen;
d. de positie die de vrouw in de Nieuw-Testamentische gemeente van de Here ontving, haar in staat stelt onder leiding van de kerkeraad samen met de man zich niet alleen bij de approbatie, maar ook bij de verkiezing van ambtsdragers uit te spreken;
spreekt uit:
dat bij de verkiezing van ambtsdragers door de gemeente ook die wijze van verkiezen kan worden gevolgd waarbij de zusters der gemeente die tot het Heilig Avondmaal zijn toegelaten aan de verkiezing deelnemen;[19]
Plaatselijke vrijheid 1968
In het meerderheidsrapport wordt vervolgens duidelijk ruimte gegeven aan plaatselijke kerken om geen stemrecht aan vrouwen toe te kennen. Daarover overweegt de commissie:
“Op grond van dit alles lijkt het verantwoord uit te spreken, dat in de gemeente des Heren ook die wijze van verkiezen geoorloofd is, waarbij zusters aan de verkiezing deelnemen. Het is beslist onjuist te zeggen, dat de methode waarbij alleen broeders verkiezen altijd te veroordelen is. Ook op deze wijze kan en mag de gemeente haar ambtsdragers kiezen. Maar het is denkbaar, dat er zich situaties voordoen, waarin een kerkeraad zich moet afvragen: functioneert de gemeente als geheel nog wel, indien de zusters niet aan de stemming deelnemen? Zo deze vraag ontkennend beantwoord moet worden, behoort een kerkeraad het recht te hebben de zusters der gemeente uit te nodigen aan de verkiezing van ambtsdragers deel te nemen”.
Bezwaren Barendrecht
Tegen het synodebesluit worden revisieverzoeken ingediend bij de generale synode Rotterdam, 1971 - 1972. De CGK Barendrecht voert de volgende bezwaren aan:
De kerkeraad is van oordeel:
- dat van een Goddelijk recht of roeping der vrouw om aan de verkiezingen deel te nemen in de Heilige Schrift niets vermeld wordt;
- dat voorzover de Heilige Schrift ons mededelingen geeft aangaande de medewerking der gemeenteleden bij de verkiezing van ambtsdragers blijkt, dat de apostelen daartoe alleen de mannen hebben opgeroepen (Hand. 1:15 en 6:3);
- dat de stelling "dat de positie, die de vrouw in de Nieuw-Testamentische gemeente van de Heere ontving, haar in staat stelt, zich onder de leiding van de kerkeraad, samen met de man niet alleen bij de approbatie, maar ook bij de verkiezing van ambtsdragers uit te spreken", haar schriftuurlijke fundatie mist;
- dat de Schriftplaatsen, die spreken van de plaats en de taak van de vrouw in de gemeente en waar door de apostel zo sterk de nadruk wordt gelegd op de orde bij de schepping ingesteld voor de verhouding van man en vrouw, eer pleiten tégen, dan vóór het toekennen van het stemrecht aan de vrouw, omdat de vrouw daarbij als gelijke van de man optreedt (1 Cor. 11: 3, Efeze 5:24);
- dat de Schrift zich verzet in uitdrukkelijke voorschriften omtrent de orde in de gemeente tegen het spreken van de vrouw (1 Cor. 14:34, 35, 1 Tim. 2: 11-13) en dat wij niet gerechtigd zijn deze voorschriften in de praktijk te negeren of tijdgebonden te verklaren (1 Cor. 4:17 en 7:17);
- dat de verkiezing van ambtsdragers door de gemeente vanaf de eerste christelijke kerk door God gebruikt is om de regering in de kerk te verzekeren (Hand. 6:5, 14:23 en 15: 22) en een daad van algemene regeermacht is. Zo werd het in de historie ook altijd gezien. Zie Calvijn, Voetius en Bouwman;
- dat het toekennen van het kiesrecht aan de vrouw in strijd is met wat wij belijden in art. 32 van onze N.G.B.;
- dat het besluit van de synode van Hilversum de gewetens van velen in onze kerken bezwaart, die dit niet voor vast en bondig kunnen houden op grond van Schrift, belijdenis en kerkorde;
- dat door dit besluit de eenheid der kerken ernstig is geschaad geworden;
- dat door dit besluit genegeerd is, wat we belijden in art. 32 N.G.B.: "Zo nemen wij alleen aan, hetgeen dienstig is om eendrachtigheid en enigheid te voeden en te bewaren en alles te onderhouden in gehoorzaamheid Gods";
- dat het facultatief stellen van deze zaak een bron van verwarring is voor heel ons kerkelijk leven, daar in de ene gemeente een zuster wèl het kiesrecht wordt toegekend en bij verhuizing naar een andere haar dit recht kan ontnomen worden;
- dat het intrekken van dit besluit de gewetens niet bezwaren kan, omdat het niet hebben van het vrouwenkiesrecht niet in strijd is met Gods Woord.[20]
Bezwaren Katwijk
Ook de kerkenraad van Katwijk aan Zee beroept zich in zijn bezwaren ook op artikel 32 NGB wanneer hij stelt:
Daar het vrouwenkiesrecht in strijd is met Gods Woord, verwerpen wij, vlg. art. 32, "alle menselijke vonden, en alle wetten, die men zoude willen invoeren, om God te dienen, en door deze de conscienties te binden en te dwingen, in wat manier het zoude mogen zijn. Zo nemen wij dan alléén aan hetgeen dienstig is om eendrachtigheid en enigheid te voeden en te bewaren..." Door het gewraakte synodebesluit wordt de eendrachtigheid en de enigheid niet gevoed en bewaard.[21]
Bezwaren Utrecht-Noord
De kerkenraad Utrecht-Noord overweegt in dit verband onder meer:
8. dat in het vrouwenkiesrecht de vrouw haar (mede) beslissende stem laat horen, dat zo getornd wordt aan het gezag van de Schrift en de klaarblijkelijke zin van de Schrift twijfelachtig wordt gemaakt, in strijd met wat wij belijden in art. 7 en 32 van onze geloofsbelijdenis;
12. dat de intrekking van het vrouwenkiesrecht de gewetens niet bezwaren kan, omdat het niet hebben van het vrouwenkiesrecht niet in strijd is met Gods Woord;
13. dat het besluit van de synode in januari 1969 genomen de gewetens van velen in onze kerken bezwaart, die dit niet voor vast en bondig mogen houden op grond van de Schrift, belijdenis en kerk-orde;
Uit de bezwaren van een twintigtal kerkenraden blijkt dus dat zij het besluit om vrouwenkiesrecht facultatief toe te staan in strijd met Gods Woord en daarom in strijd met hun geweten op grond van Gods Woord en in dus in strijd met artikelen 7 en 32 NGB beschouwen om welke redenen zij dat besluit niet voor vast en bondig mogen houden. In het minderheidsrapport rapporteert ds. Roos, ter onderbouwing van zijn standpunt dat het synodebesluit moet worden herroepen:
“Uw vergadering staat hier voor een uiterst moeilijk dilemma. Niemand en dat geldt ook voor de bezwaarden, mag een ander dwingend binden tot een wijze van handelen, waarvan de ander o.g.v. de H.S. de noodzaak niet inziet. Deze zaak demonstreert misschien een kloof, die er lijkt te bestaan in de voorname hoofdzaken?”[23]
Dezelfde argumentatie
Naast het feit dat de argumentatie tegen vrouwenkiesrecht identiek is aan de argumentatie tegen de openstelling van de ambten, is ook opvallend dat de minderheidsgroepen beide ook dezelfde argumentatie hanteren om te betogen dat zij de besluiten niet kunnen aanvaarden. Het wordt gemakkelijk uit het oog verloren, maar de minderheid in de periode 1968 - 1971 beriep zich, net zoals de minderheid van tegenwoordig inzake vrouw en ambt op de tenzij-bepaling van artikel 31 K.O.. Uit het reeds geciteerde revisieverzoek van de CGK Barendrecht blijkt dit uit de oordelen 7 tot en met 10; daarin oordeelt de kerkenraad van Barendrecht:
Bezwaren Barendrecht
7. dat het toekennen van het kiesrecht aan de vrouw in strijd is met wat wij belijden in art. 32 van onze N.G.B.;
8. dat het besluit van de synode van Hilversum de gewetens van velen in onze kerken bezwaart, die dit niet voor vast en bondig kunnen houden op grond van Schrift, belijdenis en kerkorde;
9. dat door dit besluit de eenheid der kerken ernstig is geschaad geworden;
10. dat door dit besluit genegeerd is, wat we belijden in art. 32 N.G.B.: "Zo nemen wij alleen aan, hetgeen dienstig is om eendrachtigheid en enigheid te voeden en te bewaren en alles te onderhouden in gehoorzaamheid Gods";
De kerkenraad van Barendrecht stelt expliciet dat hij ‘het besluit van de synode van Hilversum ‘niet voor vast en bondig’ kan houden op grond van Schrift, belijdenis en kerkorde. Dit is een directe verwijzing naar artikel 31 K.O. dat immers bepaalt:
“ Wat bij meerderheid van stemmen uitgesproken is, zal voor vast en bondig worden gehouden, tenzij bewezen wordt, dat dit in strijd is met het Woord van God, de belijdenis (...)”
Daarnaast geeft de kerkenraad aan dat het toekennen van het kiesrecht aan de vrouw in strijd is met wij belijdens in artikel 32 NGB, omdat het besluit volgens de kerkenraad niet dienstig zou zijn om eendrachtigheid en enigheid te voeden en te bewaren, en alles te onderhouden in gehoorzaamheid Gods enhet besluit de gewetens van velen in onze kerken bezwaart. In dezelfde zin luiden de bezwaren van de kerkenraden Katwijk aan Zee en Utrecht-Noord. De kerkenraad van Katwijk aan Zee voert namelijk als bezwaar aan:
Bezwaren Katwijk aan Zee
Daar het vrouwenkiesrecht in strijd is met Gods Woord, verwerpen wij, vlg. art. 32, "alle menselijke vonden, en alle wetten, die men zoude willen invoeren, om God te dienen, en door deze de conscienties te binden en te dwingen, in wat manier het zoude mogen zijn. Zo nemen wij dan alléén aan hetgeen dienstig is om eendrachtigheid en enigheid te voeden en te bewaren..." Door het gewraakte synodebesluit wordt de eendrachtigheid en de enigheid niet gevoed en bewaard.[22]
Bezwaren Utrecht-Noord
De kerkenraad Utrecht-Noord overweegt in dit verband onder meer:
8. dat in het vrouwenkiesrecht de vrouw haar (mede) beslissende stem laat horen, dat zo getornd wordt aan het gezag van de Schrift en de klaarblijkelijke zin van de Schrift twijfelachtig wordt gemaakt, in strijd met wat wij belijden in art. 7 en 32 van onze geloofsbelijdenis;
12. dat de intrekking van het vrouwenkiesrecht de gewetens niet bezwaren kan, omdat het niet hebben van het vrouwenkiesrecht niet in strijd is met Gods Woord;
13. dat het besluit van de synode in januari 1969 genomen de gewetens van velen in onze kerken bezwaart, die dit niet voor vast en bondig mogen houden op grond van de Schrift, belijdenis en kerk-orde;
Standpunt ds. Roos
In het minderheidsrapport rapporteert ds. Roos, ter onderbouwing van zijn standpunt dat het synodebesluit moet worden herroepen:
“Uw vergadering staat hier voor een uiterst moeilijk dilemma. Niemand en dat geldt ook voor de bezwaarden, mag een ander dwingend binden tot een wijze van handelen, waarvan de ander o.g.v. de H.S. de noodzaak niet inziet. Deze zaak demonstreert misschien een kloof, die er lijkt te bestaan in de voorname hoofdzaken?”
Huidige bezwaarden
Het hoeft geen betoog dat de huidige bezwaarden, ditmaal vormen zij de minderheid, dezelfde soort bezwaren hebben tegen het synodebesluit vrouw en ambt. Ook voor hen geldt wat ds. Roos treffend verwoordde dat niemand een ander dwingend mag binden tot een wijze van handelen, waarvan die ander op grond van de Schrift de noodzaak niet inziet. Deze uitspraak komt overeen met het citaat van dr. Van’t Spijker in het Kerkblad van het Noorden, verwijzend naar een uitspraak van professor Hovius, waarin in een eerdere Vrije-Interpretatie ook naar verwezen is:
"wanneer in de besluitvorming een stemming ter synode wijst op een kleine meerderheid tegenover een grote minderheid en een dergelijk besluit als wettig genomen wordt erkend, dan is er geen sprake van een gemeen akkoord omdat een opdringen door een meerderheid aan een minderheid niet aan de orde mag zijn".[24]
Mede verantwoordelijkheid
Bijzonder is dat de Rijnsburggroep het vanzelfsprekend lijkt te vinden dat zij het besluit over vrouwenkiesrecht niet voor ‘vast en bondig’ kan houden, ondanks dat daartegen geen revisie meer openstaat, maar tegelijkertijd de voorstanders van de openstelling van de ambten veroordeelt, omdat zij het besluit ‘vrouw en ambt’ niet voor ‘vast en bondig’ kunnen houden en dat besluit in strijd vinden met hun gewetensvrijheid op grond van Gods Woord als bedoeld in artikel 32 NGB. In dit verband is opmerkelijk dat bijvoorbeeld een van de bezwaren om de openstelling aan de vrijheid van de kerken over te laten, is dat de Rijnsburggroep dan op grond van het presbyteriaal-synodale stelsel mede verantwoordelijk zou zijn voor onbijbelse besluiten om de ambten open te stellen. Dat is opmerkelijk omdat dit bezwaar niet speelt bij het vrouwenkiesrecht. Ook dat besluit is voor de Rijnsburggroep een besluit in strijd met Gods Woord, dat daarom voor haar niet voor ‘vast en bondig’ kan worden gehouden. Dat wil niets anders zeggen dan dat zo’n besluit voor haar niet rechtsgeldig is en dat zij daaraan niet gebonden is. In essentie komt het erop neer dat de Rijnsburggroep wel zich mag beroepen op de tenzij-bepaling van artikel 31 K.O., maar anderen binnen de CGK niet.
Asymmetrie
Dit terwijl uit de weergave van de standpunten van de bezwaarden tegen stemrecht voor vrouwen blijkt dat de structuur van het huidige debat exact dezelfde lijnen volgt van 1968. Waar in 1968 de 'Rijnsburggroep,' vertegenwoordigt door Tanis, Hovius en Roos, stelden dat de invoering van vrouwenkiesrecht leidde tot het binden van de gewetens, ex artikel 32 NGB en dat een dergelijk besluit niet voor "vast en bondig" gehouden mocht worden, gebruikten de 50 kerkenraden in hun revisieverzoeken tijdens de synode van Nunspeet/Rijnsburg exact diezelfde kerkrechtelijke argumenten, gebaseerd op onder andere de artikelen 7 en 32 NGB en artikel 31 K.O. om zich te verzetten tegen de uitsluiting van de vrouw uit het ambt. Waar in 1968 het besluit omtrent het vrouwenkiesrecht niet werd verabsoluteerd, zodat kerken, die dat besluit niet voor ‘vast en bondig’ kunnen houden, daaraan niet gebonden zouden zijn, heeft de meerderheid inzake het synodebesluit over ‘vrouw en ambt’ dat besluit wel verabsoluteerd. Daarmee heeft de synodemeerderheid tijdens de generale synode Dordrecht-Nunspeet, in tegenstelling tot de synodemeerderheid de generale synode Hilversum, in onvoldoende mate rekening gehouden met een grote minderheid, die in geweten, gegrond op Gods Woord, het besluit ‘vrouw en ambt’ niet voor vast en bondig kunnen houden.
Ontbreken Bijbelse grond
Als de Rijnsburggroep zou tegenwerpen dat het besluit over vrouwenkiesrecht inmiddels wel door haar voor vast en bondig wordt gehouden en daarmee de uitspraak uit 1971 accepteert dat stemmen geen 'regeerdaad' zou zijn, ontbreekt elke Bijbelse grond om het kiesrecht lokaal nog steeds aan vrouwen te onthouden, zoals dat bij verschillende gemeenten behorende tot de Rijnsburggroep nog steeds wel het geval is. Onthouden ze desondanks aan zusters in de gemeente hun stemrecht, dan handelen zij zelf in strijd met de Schrift door gelovigen zonder Bijbelse grond ongelijk te behandelen en hun het recht ontnemen om te stemmen. Daarbij geldt dat een besluit niet enkel ‘vast en bondig’ wordt doordat daartegen geen revisie meer mogelijk is. Dat zou merkwaardig zijn. Een besluit wordt niet voor ‘vast en bondig gehouden’ omdat het in strijd zou zijn met de Schrift. Dat verandert niet door het enkele feit dat er geen revisie meer openstaat tegen dat besluit. Dat kan alleen anders zijn als naderhand zou blijken dat het geuite bezwaar toch onjuist blijkt te zijn. Bovendien staat artikel 7 NGB eraan in de weg dat kerkenraden zich kunnen neerleggen bij onbijbelse besluiten, omdat het gezag van de Schrift te allen tijde boven synodebesluiten staat. Een onbijbels besluit is een onaanvaardbaar besluit, hoe dan ook.
Kerkrechtelijk alibi
En daarmee is er sprake van dubbele standaard bij de Rijnsburggroep; zelf aanvaardt zij bepaalde synodebesluiten niet, omdat zij die strijdig vindt met de Schrift en de belijdenis, maar van anderen vereist zij absolute gehoorzaamheid aan bepaalde synodebesluiten. Zelf geeft zij in veel gevallen vrouwen geen kiesrecht, niet omdat het synodebesluit haar de mogelijkheid biedt om dat te doen, maar omdat zij op grond van Schrift daarvoor geen ruimte ziet en daarom dat synodebesluit voor haar ook niet als bindend beschouwt; tegelijkertijd ontneemt zij het recht aan anderen die, eveneens op grond van de Schrift het onbijbels vinden vrouwen van de ambten uit te sluiten. Als CGK-kerken in hun gemeenten kiesrecht geven, is er geen sprake van medeverantwoordelijkheid voor de Rijnsburggroep voor een dergelijk door haar onbijbels geachte besluit, maar als plaatselijke kerken de ambten openstellen voelt de Rijnsburggroep ineens wel mede verantwoordelijkheid die zij in geweten niet kan dragen. Zelf houdt zij het besluit over vrouwenkiesrecht niet voor ‘vast en bondig’ zonder dat als woordbreuk te kwalificeren, maar anderen beschuldigt zij van woordbreuk en zondigen tegen de liefde. En natuurlijk kan de Rijnsburggroep zeggen dat zij formeel niet in strijd handelt met het synodebesluit van 1968, omdat dit besluit immers uitzonderingen toelaat, maar dat is een niet erg geloofwaardige verklaring. Immers, zij geeft vrouwen geen kiesrecht omdat het besluit daarvoor de ruimte biedt, maar zij onthoudt dat recht aan vrouwen omdat zij gelooft dat de Schrift dat van haar vraagt. Een beroep door haar op het synodebesluit van 1968 is in feite niet meer dan een kerkrechtelijk alibi. En mocht de Rijnsburggroep zich toch beroepen op de vrijheid en de uitzonderingspositie die de synode haar in 1968 bood om haar bezwaarde geweten te ontzien, waarom ontzegt zij dan de generale synode van vandaag het recht om exact diezelfde kerkelijke ruimte te bieden aan de kerkenraden die in hun geweten overtuigd zijn van de ruimte voor de vrouw in het ambt?
Wederzijdse aanvaarding
En precies hier ligt dan ook de oorzaak van de huidige crisissituatie. Niet de standpunten en argumenten ten aanzien van vrouwenkiesrecht en vrouw en ambt zijn wezenlijk veranderd, maar de synodemeerderheden zijn gewijzigd. Geen van beide heeft haar ambtsbelofte gebroken, omdat beide groepen bepaalde besluiten, omwille van het geweten gegrond op Gods Woord, niet voor vast en bondig kunnen houden. Voor hen kunnen dat eenvoudigweg geen rechtsgeldige besluiten zijn, omdat Gods Woord nu eenmaal altijd voorrang heeft op kerkelijke besluiten, ook synodale besluiten. En daarom kan de oplossing worden gevonden in de aanvaarding van de ander; dat heeft zich bewezen sinds 50 jaren. Kerken die geen vrouwenkiesrecht konden aanvaarden, werden (en worden) daarin gerespecteerd. Datzelfde kan ook met het openstellen van de ambten. Dat vraagt om aanvaarding dat, hoewel het synodebesluit met meerderheid van stemmen is genomen, de realiteit met zich brengt dat er kerken zijn die, op grond van Schrift en belijdenis, dat synodebesluit niet kunnen aanvaarden, net zoals de kerken rondom de Rijnsburggroep in veel gevallen het vrouwenkiesrecht niet kunnen aanvaarden. De kerkgeschiedenis van de CGK heeft bewezen dat het prima kan, ondanks dat het soms ook best ingewikkeld kan zijn.
Voorbeeld Indonesië
Naast de interne ervaring rondom vrouwenkiesrecht, is er ook ruimschootse externe ervaring. CGK onderhoudt tot op de dag van vandaag volledige correspondentie met de Indonesische kerken, de Gereja Toraja Mamasa. De Gereja Toraja Mamasa is voortgekomen uit zendingswerk van de CGK. Tijdens een classisvergadering van 13 december 1938, werd al de mogelijkheid van vrouwelijke ambtsdragers besproken. Ook hier was de aanleiding de context waarbinnen de GTM zich bevindt. Vrouwen vervulden toentertijd al een rol in het publieke leven van de samenleving, bijvoorbeeld als districtshoofd, maar ook in religieuze zin. Het voorstel werd toen verworpen, omdat het Woord van God openstelling van de ambten niet zou toestaan. In de GTM werden de ambten echter alsnog opengesteld voor vrouwen tijdens de generale synode van Mamasa in 1986. Die beslissing maakte het mogelijk voor vrouwen om het ambt van ouderling, diaken en predikant te bekleden. De generale synode te Nosu in 1991 bevestigde het besluit van 1986 dat alle ambten openstaan voor vrouwen. Inmiddels is ongeveer de helft van het totaal aantal predikanten vrouw. Het feit dat de GTM de ambten openstelde, heeft er niet toe geleid dat de zusterrelatie met de GTM werd afgeschaald, laat staan verbroken. De CGK verdraagt dus ook de openstelling van de ambten bij de GTM.[25]
Behoud eenheid
Voor de generale synode Hoogeveen en de Rijnsburggroep zijn er dus voldoende redenen om de ontstane crisis het hoofd te bieden. Paulus roept de gemeenteleden op om elkaar in het geloof te aanvaarden en Jezus zegt in feite hetzelfde wanneer Hij zegt ‘Alle [dingen] dan, die gij wilt, dat u de mensen zouden doen, doet gij hun ook alzo; want dat is de wet en de profeten.[26] De geschiedenis toont aan dat het voortbestaan van de CGK helemaal niet in het geding hoeft te zijn als iedereen zich inspant om door de samenbindende kracht van de vrede de eenheid te bewaren die de Geest u geeft.[27] Daarom is er alle reden om als kerken ter synode met elkaar in gesprek te gaan, zoekend naar eenheid en verzoening. Daarvoor is alle reden, want onze God is geen God van wanorde, maar van vrede.
- https://vrije-interpretatie.nl/besprekingsweek-generale-synode-en-uitnodiging; ^
- https://vrije-interpretatie.nl/spiegel-van-de-cgk ^
- D. Steensma, Geroepen tot de dienst. Bijbels-theologische bezinning op de plaats van vrouwen in de kerk, Utrecht: KokBoekencentrum Uitgevers 2024. ^
- Acta generale synode Zwolle - Apeldoorn, 1965, artikel 220 kiesrecht van de gemeente, p. 105 ^
- Acta generale synode Zwolle- Apledoorn, 1965, BIJLAGE LXXXIII, Art. 220, 223TOELICHTING BIJ DE INSTRUCTIE BETREFFENDE HET KIESRECHT VAN DE GEMEENTE ^
- Acta generale synode Zwolle - Apeldoorn, 1965, artikel 223, vervolg kiesrecht van de gemeente, p. 107 ^
- Acta generale synode Hilversum, 1968, artikel 91 ^
- Acta generale synode Hilversum, 1968, pagina 326-356 ^
- Acta 1968, Bijlage LXXXII, p. 330 ^
- Rapport 20с, р. 297 ^
- Acta 1968, art. 217, p. 90 ^
- Rapport 20b, p. 161 ^
- Acta 1968, Bijlage LXXXII, p. 331 ^
- Rapport 20b, p. 218 ^
- Acta 1968, Bijlage LXXXII, p. 330 ^
- Acta 1968, art. 217, p. 90 ^
- Rapport 20b, p. 173 ^
- Rapport 20b, p. 218 ^
- Acta van de generale synode Hilversum, 1968, art. 220, p. 91 en 92 ^
- Acta generale synode Rotterdam, 1971-1972, Bijlage XXXVI, p. 214 ^
- idem, p. 215 ^
- idem, p. 215 ^
- Acta generale synode Rotterdam, 1971-1972, Bijlage XXXVII, p. 218-221 ^
- Van 't Spijker, J. (2026, 9 oktober). We hebben elkaar nodig (3). https://www.kerkbladvoorhetnoorden.nl/index.php/5079-we-hebben-elkaar-nodig-3 ^
- https://vrije-interpretatie.nl/slectieve-verdraagzaamheid; ^
- Mattheüs 7:12 ^
- Efeze 4:3 ^
Reactie toevoegen