Marginale toets

Hans Bügel •
<none>

Afgelopen vrijdag werden tijdens de generale synode van Hoogeveen van de CGK de revisieverzoeken besproken tegen de synodebesluiten van 28 maart 2025 en 3 juni 2025. Die besluiten zagen op de voortijdige beëindiging van de generale synode Rijnsburg-Nunspeet De synode heeft terecht de revisieverzoeken daartegen gegrond verklaard. Uit de bespreking ter vergadering en ook uit de beantwoording van de commissie, bestaande uit het deputaatschap Kerkorde & Kerkrecht, bleek dat met betrekking tot een aantal onderwerpen misverstanden lijken te bestaan, die voor het functioneren van het kerkrecht opheldering behoeven. Het meest in het oog springende punt betrof de revisie- en appelgrond die  bij synodebesluit van 2013 in artikel 31 K.O. is opgenomen.

Marginale toetsing 
Artikel 31 K.O. kent revisie- en appèlgronden waaronder de grond dat een besluit niet voor vast en bondig kan worden gehouden als bewezen wordt dat ‘de kerkelijke vergadering in  redelijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen’.[1] Deze grond is van recente datum. Aanleiding voor de generale synode om deze grond toe te voegen was de vraag of het niet raadzaam zou zijn om bij de gronden voor een appel het criterium van de redelijkheid op te nemen, omdat een bezwaar niet altijd precies te beargumenteren is op basis van Schrift, belijdenis en kerkorde. Het deputaatschap stemde toe dat daarvoor wel iets te zeggen zou zijn, maar maakte duidelijk dat er niet voor gekozen is deze grond toe te voegen, omdat dat de procedure op een fundamenteel punt te ver afvoert van artikel 31 K.O..[2] Daarop gaf de generale synode opdracht aan deputaten om zich te beraden op de wenselijkheid van een uitbreiding van de gronden voor appèl in artikel 31 K.O., met dien verstande dat het ook een grond voor appèl zou kunnen zijn wanneer een kerkelijke vergadering in redelijkheid niet had kunnen komen tot het besluit waarover in appèl is gegaan. In de daarop volgende notitie komen deputaten tot de conclusie dat het mogelijk is om de appèlgronden uit te breiden met een marginale toetsingsgrond. Deze marginale toetsingsgrond ontleende deputaten aan het bestuursrecht. De bestuursrechter heeft een correctiemogelijkheid als de gevolgen van een besluit apert onredelijk zijn, ondanks het feit dat het besluit wel in overeenstemming met het recht tot stand is gekomen. Het bestuursorgaan behoudt dus zijn beleids- en beoordelingsvrijheid, maar de bestuursrechter kan toch ingrijpen als de gevolgen van het besluit onevenredig nadelig zijn voor de bezwaarde.[3] Zo oordeelde de Raad van State bijvoorbeeld in het kader van een kapvergunning dat het college beleidsvrijheid heeft bij het besluit op een aanvraag om kapvergunning. Als bepaalde voorwaarden zich voordoen kan het college de vergunning weigeren, maar daartoe bestaat geen verplichting. Daarbij zal het college een belangenafweging dienen te maken. De Raad van State oordeelt dan dat de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen dat de rechter dient te toetsen of het college, de betrokken belangen in aanmerking genomen, in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.[4] Het gaat dus bij marginale toetsing om een behoorlijkheidscontrole die, als aanvulling op de rechtsmatigheidscontrole, plaatsvindt op grond van (ongeschreven) algemene rechtsbeginselen. Daarbij gaat het steeds om de toetsing van de beoordelings- en beleidsvrijheid van het bestuursorgaan. Bij de beoordelingsruimte gaat het steeds om de vraag of aan de voorwaarden voor rechtmatige uitoefening van een bevoegdheid in een concreet geval is voldaan en daarmee of het bestuur bevoegd is. Bij beleidsvrijheid gaat het om de vraag of een bestuursorgaan de keuze heeft of het gebruik maakt van zijn bevoegdheid.[5] Kenmerkend is dat het steeds gaat om de rechtmatige uitoefening van de bevoegdheid van een bestuursorgaan. Als er geen bevoegdheid is voor een bestuursorgaan ontbreekt ook de beoordelings- en beleidsvrijheid. Dat betekent dat voor de vraag of een bestuursorgaan in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen altijd de bevoegdheid van het bestuursorgaan wordt verondersteld. Dat betekent ook dat een bestuursorgaan per definitie niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen als het in strijd handelt met zijn bevoegdheid. In strijd handelen met de bevoegdheid betekent dat in strijd met het recht wordt gehandeld. Dan wordt ook niet toegekomen aan een marginale toets.

Kerkrechtelijke toets
Naar kerkelijk recht geldt in feite hetzelfde; een kerkelijke vergadering komt binnen haar toegekende bevoegdheid beoordelings- en beleidsvrijheid toe. Dat geldt in het bijzonder voor kerkenraadsbesluiten, maar evengoed voor andere kerkelijke vergaderingen, zoals de generale synode. Het betekent dat de kerkelijke vergaderingen binnen de grenzen van hun bevoegdheid vrijheid hebben om besluiten te nemen. Die vrijheid wordt alleen begrensd voor zover de vrijheid tot apert onredelijke gevolgen leidt. In het licht van de synodebesluiten van 28 maart en 3 juni 2025 betreffende het voortijdig sluiten van de generale synode is onbetwist sprake van een besluit dat in strijd is met de kerkorde. Er kan geen twijfel over zijn dat de synode met betrekking tot de voorwaardelijke sluiting van 28 maart 2025 een besluit nam dat in strijd is met het Huishoudelijk Reglement. Ook staat niet ter discussie dat het besluit op 3 juni 2025 om geen roepende kerk aan te wijzen in strijd is met artikel 50 K.O.. En dat betekent per definitie dat niet wordt toegekomen aan een beroep op de beroepsgrond dat de synode in redelijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen. De kerkordelijke regels staan immers eenvoudigweg niet toe dat de generale synode een dergelijk besluit nam. Tijdens de bespreking ter synode werd de indruk gewekt dat de bepaling: ‘dat de generale synode in redelijkheid niet tot haar besluit heeft kunnen komen’ zo zou kunnen worden uitgelegd dat, als het besluit op basis van alle omstandigheden van het geval niet als onredelijk moet worden beschouwd, dat besluit in stand zou moeten kunnen blijven. Immers, enkele afgevaardigden stelden dat, omdat de artikel 30 en artikel 31 K.O. niet meer zouden functioneren, de generale synode daarom in redelijkheid tot haar besluit zou zijn gekomen. Dat is een veel te ruime toepassing van deze beroepsgrond, omdat het eraan voorbij ziet dat deze beroepsgrond uitsluitend gaat over de vraag of de vergadering in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid. De bevoegdheid zelf is geen voorwerp van onderzoek. Het gaat dus niet om de redelijkheid van het besluit als zodanig, maar dat er sprake is van onevenredigheid tussen de gevolgen van een rechtmatig genomen besluit en de beoogde doelen. Of zoals deputaten KOKR destijds in notitie stelden: ook in het kerkrecht kunnen situaties bestaan waarin het voor een ieder duidelijk is dat een besluit is genomen, dat apert onredelijk is, maar waarvan niet gezegd kan worden dat het in strijd is met de gronden van artikel 31 K.O.. Gaan toetsing aan Schrift, belijdenis en kerkorde dus over de rechtmatigheid van kerkelijke besluiten, de marginale toets gaat over de vraag hoe de kerkelijke vergadering van haar bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Het is dan opmerkelijk dat het deputaatschap KOKR tijdens de bespreking van de revisieverzoeken aangaf de synodebesluiten ook te hebben getoetst aan de redelijkheid en daarbij alle omstandigheden van het geval heeft meegewogen, waaronder ook de crisissituatie waarin de betreffende besluiten door de generale synode zijn genomen. Het antwoord had eigenlijk moeten zijn: de marginale toets is niet aan de orde, want de generale synode was niet bevoegd om dit besluit te nemen. De besluiten zijn niet onredelijk, maar onrechtmatig, omdat zij in strijd zijn met de kerkorde. Aan de vraag of de besluiten apert onredelijk zijn hadden deputaten in hun advies daarom ook niet kunnen toekomen.

Gegronde revisieverzoeken
De conclusie moet dan ook zijn dat het standpunt dat de synodebesluiten van 28 maart en 3 juni 2025, in het licht van alle omstandigheden van het geval, onontkoombare besluiten zouden zijn geweest die daarom in redelijkheid door de synode genomen kon worden, ongegrond is. Het verdedigen van die besluiten vindt dan ook geen steun in het kerkrecht. Het helpt de kerken van de CGK om te erkennen dat die besluiten niet voor vast en bondig kunnen worden gehouden, omdat ze aantoonbaar in strijd zijn met de kerkorde en dus niet getoetst kunnen worden op redelijkheid. Daarmee zijn de revisieverzoeken tegen de synodebesluiten van 28 maart en 3 juni 2025 terecht door de synode gegrond verklaard en als zodanig aanvaard.  Die aanvaarding is belangrijk om bij te dragen aan het herstel van vrede binnen de CGK, want onze God is geen God van wanorde, maar van vrede.
________________
[1] Artikel 31: “(...) bij meerderheid van stemmen uitgesproken is,  zal voor vast en bondig worden gehouden, 
 tenzij bewezen wordt, dat dit in strijd is met  het Woord van God, de belijdenis of de kerkorde of dat de 
 kerkelijke vergadering in redelijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen”.
[2] Acta 2013, Artikel 178, p. 139
[3] Acta 2016, p.511-512
[4] https://www.inview.nl/document/id95d92d0881e34bf1a1f424bcdf6b29fe?ctx=WKNL_CSL_10000001
[5] Barkhuysen, T. (2019, 20 november). De Afdeling neemt afscheid van het begrip marginale toetsing: een nieuwe stap richting meer rechtsbescherming? - PONT Omgeving. PONT Omgeving. https://omgevingsweb.nl/nieuws/de-afdeling-neemt-afscheid-van-het-begrip-marginale-toetsing/

Reacties & Discussie ↓

Reactie toevoegen

Beperkte HTML

  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd> <h2 id> <h3 id> <h4 id> <h5 id> <h6 id>
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.