TUA in het geding

De herstelde orde rond Hoogeveen verplicht de generale synode tot actie. Het voortbestaan van de TUA hangt direct samen met het landelijke kerkverband. De elasticiteit van artikel 31 K.O. biedt de synode dé sleutel om via consensus een rampzalige ontbinding te voorkomen.

TUA in het geding
admin

Onlangs waren ds. Han Schenau (Goes) en ds. Jurrian Oosterbroek (Hoogeveen) van de CGK in de podcast ‘Dick & Daniël Geloven het wel’ van het Nederlands Dagblad om onder andere over de aankomende generale synode van Hoogeveen te praten.[1] Opvallend was dat Han Schenau zelfs de ontbinding van zijn kerkverband ter sprake bracht als dat Gods koninkrijk meer zou dienen, omdat ‘De Heere niet van de Christelijke Gereformeerde Kerken afhankelijk is.’ Hoewel zo’n uitspraak wellicht van bescheidenheid getuigt, wekt deze uitspraak ook de nodige verbazing . Immers, door tussenkomst van de voorzieningenrechter is het voortbestaan van de CGK gewaarborgd doordat alsnog, op legitieme wijze, de roepende kerk CGK Hoogeveen is aangewezen. Daarmee is Gods koninkrijk gediend, omdat zonder roepende kerk  het voortbestaan van de Theologische Universiteit in Apeldoorn en de toekomst van de emeritikas direct in gevaar zijn. Niemand zal ontkennen dat de Heer niet afhankelijk is van de Christelijke Gereformeerde Kerken. Tegelijkertijd moet niemand willen ontkennen dat instanties zoals de Theologische Universiteit Apeldoorn, de emeritikas en de andere deputaatschappen wél afhankelijk zijn van deze synode. Er staat meer op het spel dan wel of niet ontbinding van het kerkverband. Daarom is van belang dat de kerken - en in het bijzonder de synode afgevaardigden - hun verantwoordelijkheid nemen in het belang van de deelname van de CGK in de Missio Dei.

Van binnenuit reorganiseren
Het initiatief van de kerkenraad van Broeksterwoude Petrusgemeente moet wellicht zelfs gezien worden als een daad van geloof en wijsheid, waar ze ten onrechte maar weinig erkenning voor krijgt. De kerkenraad van de CGK Broeksterwoude Petrusgemeente zag scherp dat de synodebesluiten van 28 maart en 3 juni 2025 niet voor vast en bondig konden worden gehouden, omdat zij in strijd zijn met de kerkorde. De generale synode besloot namelijk bewust om geen roepende kerk aan te wijzen. Dit ging in tegen alle adviezen, waaronder dat van de pre-adviseurs. Daarmee werd het voortbestaan van de CGK moedwillig op het spel gezet. Het valt niet uit te sluiten dat de voorlopers van de Rijnsburggroep de synodebesluiten van 28 maart en 3 juni 2025 wilden gebruiken om het kerkverband van binnenuit te reorganiseren. Het besluit van 3 juni lijkt al te suggereren dat dit moest gebeuren op basis van de door hen geïntroduceerde vierslag. De juridisch adviseur van de Rijnsburggroep, mr. Pel, lijkt de architect te zijn van de beoogde reorganisatie om het kerkverband op basis van een vierslag in te richten in plaats van haar oorspronkelijke grondslag van Schrift en belijdenis. In zijn in mei 2025 gepubliceerde artikel ‘Uit verlies winst: toekomst voor de kerk’ schetst hij een kerkrechtelijk-ecclesiologisch kader dat impliceert dat CGK-kerken die zich niet houden aan synodebesluiten zichzelf feitelijk buiten het kerkverband zouden hebben geplaatst. Het artikel besluit met de opmerkingen:

Maar voor alle gelovigen die op basis van Schrift en belijdenis en in overeenstemming met het gereformeerde kerkrecht bij de echte kerk willen blijven behoren, is daar alle plaats. Hoe goed en mooi zou het zijn als zich dan ook daarbij kunnen voegen allen die op dezelfde grondslag willen staan maar die nu nog elders verkeren:  -  zij die nu met een bezwaard gemoed in een onveilige gemeenschap verblijven;  -  zij die kerkelijk dakloos zijn geraakt; en -  zij die vanuit een andere gereformeerde kerkgemeenschap de eenheid zoeken. Opdat zij allen één zijn”.[2]

Hoewel het niet expliciet wordt gezegd, volgt uit de context dat Pel de CGK wil reorganiseren met uitsluiting van gelovigen die behoren tot kerken die een aantal specifieke synodebesluiten niet voor vast en bondig houden. Het ingewikkelde van deze redenering is dat weliswaar wordt beweerd dat weerspannige kerken zich de facto buiten het kerkverband plaatsen, maar dat dit de jure niet het geval is.  Anders gezegd: het lijkt er misschien op, maar zo werkt het niet. Aan de zijde van de kerken berust het kerkverband namelijk op een wederkerige overeenkomst. Plaatselijke kerken zijn zelfstandig en gelijkwaardig. Zij zijn uitsluitend op basis van wederzijdse overeenstemming een confederatief verband met elkaar aangegaan. Binnen deze samenwerking hebben ze uit zichzelf geen macht over elkaar, waardoor hun gezamenlijke zeggenschap beperkt blijft tot het Woord van God en de gemaakte onderlinge afspraken tussen gelijken.[3] Dit confederatieve karakter is overigens geen vrijblijvend contract, maar gebaseerd op een geestelijk gemotiveerde wederzijdse instemming. Door de vrijwillige aanvaarding van de Kerkorde conform artikel 87 K.O. hebben de kerken zich diepgaand aan elkaar verbonden. Wanneer lokale kerkenraden echter besluiten van de synode niet uitvoeren, is dit geen weerspannig independentisme. Zij maken gebruik van de in artikel 31 K.O. ingebouwde 'tenzij-bepaling', die de lokale kerkenraad verplicht Gods Woord boven synodale besluiten te stellen wanneer deze met elkaar in strijd komen. Artikel 31 K.O. moet dan ook niet als een hiërarchisch dwangmiddel worden misbruikt, maar in zijn oorspronkelijke elasticiteit worden gehanteerd om de vrede en consensus te zoeken.

Nieuw kerkelijk perspectief
En zoals voor elke overeenkomst geldt, geldt ook voor de kerken van het kerkverband dat die wederkerige verbintenis tussen de kerken alleen kan worden beëindigd als daarover afspraken zijn gemaakt of door middel van ontbinding. Feit is dat de kerkorde geen opzeggingsmogelijkheden geeft waardoor de gezamenlijke kerken, bijvoorbeeld verenigd in de generale synode, de samenwerking met bepaalde kerken niet zomaar kan opzeggen. Andersom  kan dat wel; een plaatselijke kerk kan ervoor kiezen de samenwerking met kerkverband te beëindigen door haar op te zeggen, hoewel daaraan ook voorwaarden zijn verbonden.[4] Daarmee geeft het denkkader van Pel wel een theoretische -, maar geen praktisch-kerkrechtelijke oplossing. Om tot die praktische-kerkrechtelijke oplossing te komen, is het noodzakelijk om de bestaande synodale structuur met een kunstgreep haar legitimiteit te ontnemen. Met het besluit van de generale synode om geen roepende kerk aan te wijzen implodeerde de bestaande vergaderstructuur. Het is niet onaannemelijk te veronderstellen dat de generale synode is geïnspireerd door Pels ‘nieuw kerkelijk perspectief.[5]’ Er zou sprake kunnen zijn van een correlatie tussen Pels pleidooi en het synodebesluit van 3 juni 2025. Door dat besluit ontstond de praktische mogelijkheid om het ‘nieuw kerkelijk perspectief’ te effectueren. Op basis van pseudo-legitieme gronden ontstond de basis voor het initiatief van de Rijnsburggroep. In lijn met de redenering van mr. Pel kon zij zich op het standpunt stellen de rechtmatige voortzetting van de kerk volgens de kerkorde te zijn, en kerken uit te sluiten die volgens haar niet aan de nieuwe criteria voldoen — een herstructurering die functioneert als een selectie aan de poort.

Juridische strijd Rijnsburggroep
Dat deze herstructurering niet louter ecclesiologisch van aard is, maar ook gericht is op vermogensrechtelijke aspecten van kerk-zijn, blijkt onomstotelijk uit de feitelijke voorbereidingen van de Rijnsburggroep. Hoe doelgericht er achter de schermen al wordt voorgesorteerd op een juridische strijd om de kerkelijke miljoenen, werd glashelder uiteengezet tijdens een gemeenteavond in Barendrecht. Een van de betrokkenen schetste de oprichting en de taak van een specifieke commissie voor civiele zaken als volgt:

"... Dan een tweede voorbereidingsgroep: die gaat zich buigen over de vragen aangaande het kerkrecht, het civiele recht, de financiën en de organisatie. Want u begrijpt wel: die linkerkant die zit ook niet stil, en die zal dat zomaar niet laten gebeuren dat vanuit Rijnsburg er een nieuw christelijk-gereformeerde structuur wordt opgebouwd. Zij menen dat zij ook gewoon verder kunnen vanuit de bestaande structuur. Nou, wij menen dat dat niet kan, hè, want die kerken die dat willen, die hebben zich gewoon niet gehouden aan de synodale besluiten. En je kan niet meer verder met kerken die die besluiten naast zich neerleggen. Die kun je niet meer erkennen als een gemeente van Christus (...)

Nou, daar leven vele vragen over natuurlijk. Hoe kan dat kerkrechtelijk georganiseerd worden? Het is de vrees dat je uiteindelijk als linker- en als rechterdeel van die Christelijke Gereformeerde Kerken voor de civiele rechter komt te staan. Want wie heeft er nou recht op al die deputaatschappen, met al die miljoenen aan geld? Hè, de emeritikas bijvoorbeeld, de zendingskas. Nou, allerlei deputaatschappen, heel ons kerkelijke leven, dat ligt eigenlijk helemaal... helemaal stil. En wie heeft nou recht om die kerken voort te zetten?

Dus ik vrees dat dat zomaar niet opgelost zal worden. Dat zal ook weer jaren gaan duren en dat zal allerlei strijd met zich meebrengen, heel de financiële kwestie enzovoorts. Nou, er is een commissie, een groep, een voorbereidingsgroep die gaat zich dáárover buigen, met allerlei mensen, advocaten en zo. Er zijn advocaten, ook vanuit de Vrijgemaakte Kerken, die hebben gezegd van: 'Uiteindelijk hebben wij, zoals we in Rijnsburg bijeengekomen zijn, de beste papieren. Want wij hebben ons gewoon gehouden aan die vierslag: Schrift, belijdenis, kerkorde en synodebesluiten. Die anderen zijn daarvan afgeweken.' Dus in dat opzicht (...) mogen we wel op grond daarvan hopen en verwachten dat, al zou het voor de civiele rechter komen, dat het in ons voordeel zou kunnen uitpakken..." [6]

Deze uitlatingen laten er geen misverstand over bestaan dat de Rijnsburggroep zich via de introductie van de vierslag tracht te legitimeren als de exclusieve, rechtmatige voortzetting van de CGK om daarmee — voor de civiele rechter — aanspraak te kunnen maken op het volledige materiële en immateriële vermogen van het kerkverband, waaronder de landelijke kassen en de zeggenschap over de TUA. Dit bewijst de kerkrechtelijke en ecclesiologische argumentatie van mr. Pel gaf het vertrouwen om bij een eventuele juridische procedure bij de civiele rechter het gelijk aan haar zijde te krijgen.

Legitimiteitsprobleem
Hierom moet de suggestie van Schenau in de podcast dat de aanwijzing van de roepende kerk ook zonder rechterlijk ingrijpen mogelijk zou zijn geweest, bijvoorbeeld door een initiatief van de CGK Dordrecht-Zuid als onjuist worden tegengesproken. Immers, de kerken zelf kunnen kerkrechtelijk geen roepende kerk aanwijzen, zelfs niet als een meerderheid van kerken dat zou willen, omdat de kerkorde zonder voorbehoud dwingend voorschrijft dat deze verplichting exclusief aan de generale synode is opgedragen.[7] Dit is eveneens bevestigd door de voorzieningenrechter in zaak de CGK Broeksterwoude/de Generale Synode.[8] Er bestaat simpelweg geen kerkrechtelijk alternatief voor de formele aanwijzing van een roepende kerk om een volgende synode samen te roepen. Elke alternatieve, buitenstatutaire aanwijzing leidt onherroepelijk tot een legitimiteitsprobleem en ontaardt ten langen leste in juridische procedures. Om die reden was het dringend noodzakelijk dat er op legitieme wijze een roepende kerk werd aangewezen, teneinde elke twijfel over de rechtmatigheid van de komende generale synode uit te sluiten.

Kerken onderhouden TUA
Het institutionele belang van de aanwijzing van een roepende kerk is evident. Zij roept de volgende generale synode bijeen. Tijdens deze kerkelijke vergadering wordt datgene behandeld, wat in de mindere niet kon worden afgedaan, of wat behoort tot de kerken van de meerdere vergadering in het algemeen.[9] De TUA valt direct onder deze bevoegdheid van de meerdere vergadering. Artikel 20 K.O. bepaalt dat de kerken een Theologische Universiteit onderhouden om tot de dienst des Woords op te leiden. De bepalingen hiervoor worden door de generale synode vastgesteld. Het is de generale synode die het Reglement voor de Theologische Universiteit vaststelt. Dat niet alleen, zij is ook het gremium dat de Raad van Toezicht van de TUA benoemt, houdt integraal toezicht op de uitvoering van het beleid van het college van bestuur en op de algehele gang van zaken in de TUA en de aan haar verbonden instellingen en rechtspersonen.  Bij hun taak richten de leden van de Raad van Toezicht zich naar de belangen van de TUA en de aan haar verbonden instelling(en), rekening houdend met het feit dat de TUA een bijzondere verantwoordelijkheid heeft jegens de Kerken.[10] Blijkens de definitiebepalingen wordt onder ‘de kerken’ de Christelijke Gereformeerde Kerken verstaan. Van belang is dat blijkens artikel 10 lid 4 Reglement voor de Theologische Universiteit leden van de Raad van Toezicht lid dienen te zijn van de kerken. Uit artikel 4 van het Reglement is het besturen van de TUA opgedragen aan een college van bestuur onder toezicht van een Raad van Toezicht en met inachtneming van de bevoegdheden die bij of krachtens dit reglement zijn toegekend aan het curatorium en de synode.

Zelfstandig onderdeel
Uit de artikelen 20 K.O. juncto artikel 84 K.O. blijkt dat de TUA een zelfstandig onderdeel van de CGK is. De aanduiding zelfstandig wil echter niet zeggen dat het onderdeel geheel onafhankelijk van het kerkgenootschap functioneert. De benaming ‘zelfstandig onderdeel’ duidt erop dat het een apart optredende entiteit is, die haar identiteit ontleent aan een kerkgenootschap.[11] Een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap is alleen een rechtspersoon als het een religieus karakter heeft.[12] Het moet een onderdeel van het kerkgenootschap zijn. En daarmee is de TUA aan te merken als een kerkelijke rechtspersoon in de zin van het Burgerlijk Wetboek. Kenmerkend is dat een kerkelijke rechtspersoon wordt geregeerd door hun "eigen statuut” in casu zijnde de kerkorde van de CGK waarvan het Reglement voor de Theologische Universiteit onderdeel uitmaakt.[13] Hierdoor staat de TUA in vermogensrechtelijk opzicht gelijk aan een natuurlijke persoon. Zo bezit zij bijvoorbeeld haar eigen vastgoed, voert haar eigen administratie en treedt zelfstandig op als contractpartij en werkgever voor het wetenschappelijk en onderwijsondersteunend personeel. Uit de doelomschrijving in artikel 2 van het Reglement blijkt dat de TUA de taak heeft om, met name ten behoeve van de kerken, een opleiding tot de dienst des Woords in stand te houden. Daarnaast richt zij zich op het (doen) beoefenen van de theologische wetenschap en de theologische vorming op de grondslag van de Heilige Schrift en de Drie Formulieren van Enigheid, evenals op alles wat daarmee rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daaraan bevorderlijk kan zijn voor kerk en samenleving.  De TUA wordt in de Wet op het Hoger Onderwijs - WHW - ex artikel 1.8 en de bijlage[14] aangemerkt als een bekostigde instelling voor hoger onderwijs als levensbeschouwelijke universiteit.[15] Volgens artikel 1.3 WHW is een levensbeschouwelijke universiteit gericht op het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs voor een levensbeschouwelijk ambt of beroep.[16] Uit het vorenstaande blijkt dat de TUA constitutioneel, organisatorisch en vermogensrechtelijk volledig is ingebed in de structuur van het kerkgenootschap, de CGK.

Voortbestaan bedreigd
Door de complexiteit tussen de CGK en de TUA kan bijvoorbeeld het voortbestaan van de TUA mogelijk worden bedreigd door een mogelijke kerkscheuring. Dat het College van Bestuur (CvB) van de TUA zich hiervan bewust is, blijkt uit het feit dat het kort na het onreglementair sluiten van de generale synode Rijnsburg-Nunspeet aan mr. De Hek en professor mr. Zondag heeft gevraagd hem te adviseren over de juridische status, onder meer in verband met de (rechts)positie van TUA.[17] In het jaarverslag van de TUA wordt ook aandacht besteed aan de kerkelijke situatie binnen de CGK. In het jaarverslag is onder meer te lezen dat er  een scenariodocument is opgesteld, omdat de kerkelijke ontwikkelingen binnen de CGK elkaar in hoog tempo opvolgden en een breuk binnen het kerkverband menselijkerwijs gesproken onafwendbaar lijkt. In het scenariodocument zijn de verschillende scenario’s aangegeven over de mogelijke gevolgen van een kerkscheuring binnen de CGK voor de TUA en welke beheersmaatregelen noodzakelijk zijn. Het jaarverslag vermeldt expliciet dat uit gesprekken met diverse gremia blijkt dat er een groot commitment is om al datgene te doen wat noodzakelijk is om de TUA in stand te houden.[18] Deze bezorgdheid is terecht, omdat de constitutionele structuur van de TUA zich kenmerkt door een dualiteit waarin het Nederlandse burgerlijke recht en het gereformeerde kerkrecht op elkaar inwerken. De universiteit is enerzijds verankerd in de orde van de CGK, terwijl zij anderzijds een zelfstandige juridische entiteit is, die als levensbeschouwelijke universiteit voor haar bekostiging afhankelijk is van overheidsgeld als financiële bijdragen vanuit de CGK.

Bestuurlijke en organisatorische chaos
Het heeft er dan ook alle schijn van dat de generale synode op 3 juni 2025 zich niet heeft gerealiseerd dat met haar besluit om geen roepende kerk aan te wijzen ook de continuïteit van de TUA direct in gevaar is gebracht. Datzelfde geldt voor de regelmatig geopperde suggesties om de CGK als rechtspersoon te ontbinden. Immers, zonder roepende kerk wordt er ook geen nieuwe generale synode bijeengeroepen. Zonder generale synode kunnen er bijvoorbeeld geen nieuwe leden van de Raad van Toezicht (RvT) worden benoemd of ontslagen. Ook de benoeming van een lid van het College van Bestuur (CvB) behoeft de goedkeuring van de synode. Daarnaast zullen de RvT-leden na ontbinding en vereffening van het kerkgenootschap niet meer voldoen aan het vereiste dat zij lid moeten zijn van de kerken. Daarmee eindigt het lidmaatschap van alle leden van de RvT. Ook is het niet langer mogelijk dat de RvT tijdig het jaarlijkse bestuursverslag van de TUA goedkeurt voordat het CvB het bestuursverslag van de TUA kan vaststellen. Er bestaat een reëel risico dat de TUA op een gegeven moment niet langer voldoet aan de voorwaarden voor rijksbekostiging die de WHW stelt. Het is slechts een kleine greep uit de bestuurlijke en organisatorische chaos die zou kunnen ontstaan als er geen generale synode komt of als een komende generale synode zou besluiten tot ontbinding van de CGK.

Gezamenlijke verantwoordelijkheid
Daarom moet de komende generale synode ook omwille van de TUA alles op alles zetten om de ontbinding van het kerkgenootschap te voorkomen. De oproep om het kerkverband niet te ontbinden is uiteraard in de eerste plaats principieel en geestelijk van aard. Zij vindt haar grond in de gezamenlijke  verantwoordelijkheid om een theologische opleiding te onderhouden. De zorg voor de TUA is daarom niet slechts een secundair zakelijk belang, maar een verplichting die onderdeel uitmaakt van de deelname van de kerken aan de missio Dei. Het is bestuurlijk onjuist en geestelijk onverantwoord om de TUA in gevaar te brengen door een ondoordachte ontbinding of door de weigering het synodaal overleg te heropenen.
De 181 kerken hebben ook een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor haar opleidingsinstituut, ondanks diepgaande onderlinge verschillen. Het is daarom van belang dat de kerken afstand nemen van het toenmalige standpunt van Deputaten Vertegenwoordiging. In haar brief van 15 september 2025 overwoog zij — mede naar aanleiding van opmerkingen van de voorzieningenrechter tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding — het volgende:

Tegelijk hebben deputaten de woorden van de voorzieningenrechter gehoord die aangeeft dat het huwelijk van de kerken na 150 jaar voorbij is en die oproept de echtscheiding niet nog verder te laten ontaarden in een vechtscheiding. En hoezeer ook het verkeerde forum, delen deputaten deze zienswijze.”[19]

Doordat Deputaten Vertegenwoordiging de opmerkingen van de voorzieningenrechter tot haar eigen overtuiging verhief, zijn zij min of meer een eigen leven gaan leiden. Zij maakte hiermee een denkfout door het niet-bindende advies van de voorzieningenrechter te verheffen tot een kerkelijk-theologische leidraad om de ontbinding van het verband te rechtvaardigen. De voorzieningenrechter had tot taak om te beoordelen of de ingestelde vorderingen konden worden toegewezen, omdat sprake was van nietige besluitvorming. Uit de overwegingen in het vonnis blijkt dat de voorzieningenrechter vond dat het niet-aanwijzen van een roepende kerk inderdaad onrechtmatig was. Zijn informele, pastorale suggestie over een 'echtscheiding na 150 jaar' viel echter geheel buiten de juridische rechtsvraag en bezat daarom geen enkele bindende of kerkrechtelijke status. Het standpunt van Deputaten Vertegenwoordiging is daarmee dan ook kerkrechtelijk prematuur. Weliswaar bevindt de CGK zich in een crisis, maar die brengt niet onontkoombaar met zich mee dat het kerkverband door ontbinding zou moeten eindigen. In meerdere Vrije-Interpretaties is aangetoond dat er geen grond is voor ontbinding van het kerkgenootschap en dat, in verband met de missio Dei, de kerken zich een kerkscheuring ook niet kunnen veroorloven.[20] Bovendien brengt de ontbinding van het kerkverband ernstige organisatorische en vermogensrechtelijke gevolgen met zich mee die onder ogen moeten worden gezien. Het voortbestaan van een belangrijke voorziening als de TUA wordt door een eventuele kerkscheuring direct bedreigd. Het gemak waarmee oud-deputaten het einde van de CGK inluidden, voedt het vermoeden dat hun uitspraak niet gedaan is in het belang van de CGK, maar in het belang van de Rijnsburggroep. Dat maakt de uitspraak van deputaten Vertegenwoordiging dubieus. Die uitspraak doet vermoeden dat zij is ingegeven door de eigen belangen van de Rijnsburggroep. Die indruk wordt versterkt door het feit dat vier van de vijf oud-moderamen leden inmiddels prominente en actieve rollen vervullen binnen de Rijnsburggroep, waardoor hun eerdere stellingname kwetsbaar is door de schijn van partijdigheid. De generale synode kan dan ook niet de Rijnsburgroep faciliteren door bijvoorbeeld mee te werken aan een kerkscheuring met een besluit om het kerkgenootschap te ontbinden. Artikel 20 K.O. verplicht de kerken om nog een mijl extra met elkaar verder te gaan. De wanorde van het niet aanwijzen van de roepende kerk Hoogeveen is door rechterlijk ingrijpen door Deputaten Vertegenwoordiging legitiem hersteld. Dit is gebeurd in het belang van alle kerken van het kerkverband. Op de generale synode rust nu de verplichting om haar taak om de TUA in stand te houden te betrekken bij de beslissing om het gemeenschappelijk overleg ex artikel 31 K.O. in het licht van de missio Dei te heropenen. Door de elasticiteit van artikel 31 K.O. te benutten kan alsnog consensus worden bereikt. Hiermee komt een einde aan de wanorde, want onze God is geen God van wanorde, maar van vrede.

________________
[1] Import, F. (2026, 19 juni). #251 Was de scheuring in de CGK te vroeg? Twee dominees uit het kamp ‘Hoogeveen’. Nederlands Dagblad. https://www.nd.nl/podcast/dick-en-daniel-geloven-het-wel/1321080/-251-w…;
[2] Pel, P. (2025). Uit verlies winst: toekomst voor de kerk. In https://bezinninggkv.nl.

[3] Greijdanus, S. (z.d.-c). SCHRIFTBEGINSELEN VAN KERKRECHT INZAKE MEERDERE VERGADERINGEN. UITGEVERIJ J. BOERSMA ENSCHEDE, pagina 18; Greijdanus schrijft letterlijk: Juist omdat de plaatselijke kerken ten aanzien van elkander naar organisatie en ambtelijke beïnstrumenteering of voorziening zelfstandig zijn, en niet aan elkander ondergeschikt, hoewel als ware kerken slechts plaatselijke openbaringen van het ééne lichaam van Christus, de ééne kerk van het begin der wereld tot haar einde, daarom kunnen deze kerken niet anders dan met wederzijdsche overeenstemming, mutuus consensus, met elkander in verband treden, confoederatief, als gelijken, die van zichzelve over elkander niets te zeggen hebben, maar samen afspreken, hoe zij naar het Woord Gods in die en die gevallen zullen handelen, en wier Goddelijke macht ten aanzien van elkander niet verder gaat dan deze onderlinge afspraak en het Woord van God desbetreffend. Wat daar buiten en boven uitgaat, moet weerstaan en verworpen worden als ongeoorloofde menschelijke aanmatiging en vergrijp aan Gods kerk.
[4] zie artikel 37 lid 2: Een door de kerkenraad genomen besluit tot verbreking van het kerkverband zal niet van kracht zijn voordat de kerkenraad de gemeente heeft geraadpleegd in een speciaal voor deze zaak belegde vergadering met de gemeente, welke vergadering in de kerkdienst op twee achtereenvolgende zondagen is aangekondigd met vermelding van het desbetreffende besluit. (1965/6) 
[5] idem noot 2, pagina 1
[6] Gemeenteavond Barendrecht. (z.d.). Geraadpleegd op 1 juli 2025, van https://drive.google.com/file/d/1U5sWD2Q36b9hTYkG2h_tbJTQfBDnck2f/view?…;
[7] artikel 50 K.O., laatste zin: Aan het einde van de vergadering zal een kerk worden aangewezen om  
 de volgende synode samen te roepen. 
[8] Rechtspraak.nl - Zoeken in uitspraken. (z.d.-g). https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:8038, r.o. 3.6
[9] artikel 30 K.O.
[10] Bijlage 1.10, artikelen 10 en 12, versie 2024 behorend bij artikel 20 K.O.
[11] Santing-Wubs, A.H. (2002) Hst. 3. (z.d.). https://kerkrecht.nl/node/2858/, p.26
[12] Roest, J., actueel t/m 05-04-2026. (2026). T&C BW, commentaar op art. 2:2 BW [Book]. In T&C BW, commentaar op art. 2:2 BW (p. Page 1/4).
[13]Bijlage 1.10 KO;
[14] Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. (2026). Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. In Bijlage.
[15] Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. (2022). Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. In Bronpublicatie [Onderwijsrecht / Hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek].
[16] Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. (2018). Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. In Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (p. 1) [Legal]. https://www.wolterskluwer.nl (Oorspronkelijk gepubliceerd 2017)
[17] Christelijke Gereformeerde Kerken CGK. (2025d, september 18). Notitie juridische situatie CGK - Christelijke Gereformeerde Kerken: CGK. Christelijke Gereformeerde Kerken: CGK. https://cgk.nl/binnen-de-kerk/deputaatschappen/kerkorde-en-kerkrecht/no…;
[18] College van Bestuur van de TUA, Dorst, A. J., MSc, & Kater, M. J. (2025). Jaarverslag 2025. In Jaarverslag 2025, p. 18
[19] Buijs, P. D. J. (2024d). GENERALE SYNODE VAN DE CHRISTELIJKE GEREFORMEERDE KERKEN IN NEDERLAND. In A. Van Der Zwan, W. J. Van Gent, J. Oosterbroek, & A. D. Fokkema, Rijnsburg. 
[20] zie onder andere: https://vrije-interpretatie.nl/elasticiteit-van-artikel-31-ko; het https://vrije-interpretatie.nl/ontspoord-kerkverband; https://vrije-interpretatie.nl/harde-breuk; https://vrije-interpretatie.nl/verkeerde-volgorde; https://vrije-interpretatie.nl/wijsheid-van-boven; https://vrije-interpretatie.nl/het-scharnierpunt-van-verdraagzaamheid; https://vrije-interpretatie.nl/vrome-praatjes;

Permalink

Na theologische goocheltrucs in eerdere artikelen, is dit stuk keiharde kerkpolitieke chantage. Het betoog leunt op drie drogredenen en één grote angstcampagne.

1. De angstkaart rond de TUA
Bügel gijzelt de Theologische Universiteit Apeldoorn voor zijn eigen agenda. Zijn impliciete argument is simpel: "Slik onze rebellie, gedoog de contractbreuk rond de vrouw in het ambt, anders gaat de TUA failliet en hebben jullie dat gedaan." De omkering van oorzaak en gevolg is hier stuitend. De gemeenten die moedwillig het synodale akkoord breken (zoals Hoogeveen), creëren zélf de crisis. Dat Bügel de schuld voor de TUA nu in de schoenen van de orthodoxie schuift, is geen theologie, maar emotionele chantage.

2. Misbruik van Artikel 31 K.O.
Misschien wel de meest bedrieglijke alinea in de tekst is de bewering dat lokale kerken die tegen de synode ingaan, slechts de 'elasticiteit' van de kerkorde benutten. Dit is klinkklare onzin. De synode heeft juist op grond van het Woord tot in den treure vastgesteld dat de vrouw in het ambt níét Bijbels is. Als een lokale gemeente dan tóch haar eigen zin doordrijft, is dat geen "elastisch gebruik van artikel 31", maar openlijk independentisme. Bügel legitimeert hier keiharde ordeloosheid en contractbreuk door het schijnheilig 'elasticiteit' te noemen.

3. Zwartmakerij en paniek voor de civiele rechter
Bügel probeert de Rijnsburggroep te framen als een kille actiegroep die alleen maar uit is op de landelijke miljoenen. Maar wat de Rijnsburggroep doet, is volstrekt normaal juridisch huiswerk. Als één groep in een vereniging structureel de statuten breekt, blijft de groep die zich wél aan de regels houdt de rechtmatige eigenaar. Bügel wéét heel goed dat de contractbrekers civielrechtelijk geen schijn van kans maken. Daarom schreeuwt hij nu "schande!" om het degelijke huiswerk van Rijnsburg verdacht te maken.

De strategie hierachter is glashelder: dit artikel is puur gericht op de middengroepen. Bügel ziet dat de theologische sympathie van het midden bij Rijnsburg ligt. Met deze paniekzaaierij proberen ze de middengemeenten bang te maken, zodat ze lokaal als gewillige pakezels de progressieve kar blijven trekken. Laat je niet gijzelen.

Reactie toevoegen

De taalcode van de reactie.
Protected by Spam Master