Inconsequent en tegenstrijdig

Wij scheiden ons niet af van de CGK, maar willen juist trouw blijven aan het oorspronkelijke beginsel.”, betoogt ds. Egas in een interview in CVandaag.[1] Volgens ds. Egas zou er bij de Rijnsburggroep geen sprake zijn van een afscheiding zoals in 1834. Het betoog van ds. Egas dat de Rijnsburggroep geen scheurmakers zijn, is inconsequent en innerlijk tegenstrijdig.

<none>
Hans Bügel

Wij scheiden ons niet af van de CGK, maar willen juist trouw blijven aan het oorspronkelijke beginsel.”, betoogt ds. Egas in een interview in CVandaag.[1] Volgens ds. Egas zou er bij de Rijnsburggroep geen sprake zijn van een afscheiding zoals in 1834. Het betoog van ds. Egas dat de Rijnsburggroep geen scheurmakers zijn, is inconsequent en innerlijk tegenstrijdig.

Historische context 
Kenmerkend voor de Afscheiding van 1834 was nu juist dat de Afgescheidenen onder leiding van ds. Hendrik de Cock zich afscheidden om "trouw te blijven" aan het oorspronkelijke beginsel, de aloude gereformeerde leer. De akte van afscheiding of wederkeer opent ermee en laat er geen misverstand over bestaan:

Wij ondergetekenden Opzienderen en litmaten der Gereformeerde Gemeente van Jezus Christus te Ulrum; sedert geruimen tijd opgemerkt hebbende, het bederf in de Nederlansche Hervormde Kerk, zoo wel in verminking of verlochening van de leer onzer vaderen gegrond op Gods woord, als in de verbastering van de bediening der Heilige Sacramenten naar de verordineering van Christus in zijn woord; en in het bijna volstrekte verzuim der kerkelijke tucht; welke stukken allen naar onze Gereformeerde belijdenis Art: 29 kenmerken zijn der ware kerk”;[2]

De verklaring spreekt over het bederf in de Nederlandse Hervormde Kerk bestaande uit de verminking of verloochening van de leer van de voorvaderen. Zij beroept zich op en verwijst naar artikel 29 van Nederlandse Geloofsbelijdenis, dat de kenmerken van de ware kerk belijdt. De verklaring eindigt met de uitspraak dat de afgescheiden kerk van Ulrum juist trouw wil blijven aan het oorspronkelijke beginsel door dat zij uitspreekt:

(...) uit dit alles tezamen genomen is het nu meer als duidelijk geworden, dat de Nederlandsche Hervormde Kerk niet de ware, maar de valsche Kerk is volgens Gods woord en Art 29 van onze belijdenis, weshalve de ondergetekenden met dezen verklaren dat zij overeenkomstig het ampt aller gelovigen Art 28 zich afscheiden van degene die niet van de Kerk zijn, en dus geen gemeenschap meer te willen hebben, met de Nederlansche Hervormde Kerk, tot dat deze terugkeert tot de waarachtige dienst des Heeren en verklaren tevens gemeenschap te willen uitoefenen met alle ware Gereformeerde ledematen, en zich te willen vereenigen met elke op Gods onfeilbaar woord gegronde vergadering, aan wat plaatze God dezelve ook vereenigd heeft, betuigende met dezen, dat wij ons in alles houden aan onze aloude Formuieren van eenigheid NL: de belijdenis des geloofs, de Heidelbergsche Cathechismus en Canones van de Sinode van Dortrecht gehouden in den jare 1618, 1619 onze openbare Godsdienstoefeningen te richten naar de aloude kerkelijke Liturgie en ten opzichte der Kerkdienst en bestuur ons voor het tegenwoordige te houden aan de Kerkenordening opgesteld door de voornoemde Dortrechtsche Sinode, eindelijk verklaren wij bij dezen dat wij onzen onrechtmatig geschorsten Predikant als onzen wettig geroepen en geordenden Herder en Leeraar blijven erkennen”.[3]

Opvallend is dat uit de akte van afscheiding of wederkeer duidelijk wordt dat de ondergetekenden zich op grond van artikel 28 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zich afscheiden van degenen die niet van de Kerk zijn. De kerk en haar gelovigen belijden in artikel 28 NGB immers dat:

“(...) Alle leden onderwerpen zich aan haar onderwijs en leiding en buigen onder het gezag van Jezus Christus Als ledematen van één lichaam dienen ze elkaar in de opbouw van het geloof, volgens de gaven die God aan iedereen heeft gegeven. Om op deze wijze kerk te zijn, is het de roeping van alle gelovigen, op grond van de Bijbel, om zich af te scheiden van hen die niet bij de kerk horen”.[4]

Uit dit belijden spreekt, zonder voorbehoud of voorwaarde, dat gelovigen de plicht hebben om zich af te scheiden van mensen die niet bij de kerk horen. En dat is ook precies het argument voor de Afgescheiden om zich van de Nederlandse Hervormde Kerk af te scheiden. Uit de akte van afscheiding of wederkeer blijkt dat afscheiden niet betekent zich binnen de bestaande kerk hergroeperen, maar dat afscheiden betekent dat de gemeenschap met de kerk moet worden beëindigd, omdat zij daarmee geen gemeenschap meer willen hebben.  

Kerkverband
En daarmee staat de opvatting van de Rijnsburggroep, zoals door ds. Egas is verwoord, haaks op ‘het aloude christelijk gereformeerde beginsel’ waarop zij zich beroept. Immers, als de Rijnsburggroep meent wat zij zegt, namelijk dat de Christelijke Gereformeerde Kerken ongehoorzaamheid aan het Woord van Christus legitimeren, moet, op grond van het aloude beginsel, de gemeenschap met de kerk en dus ook het kerkverband worden beëindigd. Voor zover de Rijnsburggroep probeert te betogen dat het kerkverband geen kerk is in de zin van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, ziet zij eraan voorbij dat de eenheid van de kerk over de hele aarde geestelijk is en niet institutair en niet ambtelijk. Elke plaatselijke kerk is dus een openbaring van wereldkerk van de ene kerk van de Heer.[5] Of in de woorden van Bonhoeffer, “(..) het Lichaam van Christus is Rome en Korinthe, Wittenberg, Genève en Stockholm, en de leden van alle afzonderlijke kerken behoren allemaal tot de totaliteit als de sanctorum communio”.[6] En daarmee is het excuus van de Rijnsburggroep dat het verbreken van het kerkverband geen kerkscheuring zou zijn, ook onhoudbaar. Dat de kerkorde aan plaatselijke kerken de mogelijkheid biedt om het kerkverband te verlaten, kan uiteraard niet los gezien worden van wat de kerk belijdt. Het verlaten van het kerkverband is namelijk geen vrijblijvende optie of keuze, maar een bekentenis; zij houdt in dat de gemeenschap waartoe de plaatselijke kerk tot dan toe behoorde, niet langer als kerkgemeenschap geldt, omdat de uittredende plaatselijke kerk de leden van die kerkgemeenschap niet langer meer tot de kerk rekenen. Een andere reden dan deze om het kerkverband te verlaten, is er niet.

Belijdenis
Er kan dan ook geen sprake zijn van een voortzetting van het kerkverband door de Rijnsburggroep, zoals ds. Egas beweert, want het kerkverband waartoe de Rijnsburggroep behoort, omvat namelijk alle Christelijke Gereformeerde Kerken. Het kerkverband is niet alleen een geestelijke gemeenschap, maar ook een formeel samenwerkingsverband, weliswaar niet van institutionele, maar wel van obligatoire aard. Dat wil zeggen, het verband van de kerken berust aan de kant van de kerken uitsluitend op een wederzijdse overeenkomst, vrijwillige aaneensluiting, consensus mutuus, maar van Gods kant is er wel een verplichting, zodra dat verband mogelijk is.[7] En die verplichting van Gods kant, is de opdracht van de opgestane Heer om alle volken tot zijn leerlingen te maken, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat Ik jullie opgedragen heb.[8] Dat gaat naar de kern genomen over het belijden van Jezus als Heer, waarover Hijzelf heeft gezegd dat "Ieder die Mij belijden zal voor de mensen, die zal ook Ik belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is." [9] Bovendien is Hij het hoofd van het lichaam, de kerk, zijnde het geheel van kerken samen.[10] Daarmee is de grondslag van een kerkverband de eenheid in de leer en een gezamenlijk belang die leer te verspreiden, te verdedigen en vorm te geven.[11] De verplichting van plaatselijke kerken om met elkaar in correspondentie te treden berust daarom op de belijdenis, die  zij gemeenschappelijk hebben. De samenwerking en correspondentie moet dus dienen om het Woord van de Heer het volle gezag te geven en het heil der kerken te bevorderen.[12] En daarmee is het fundament van het kerkverband, het akkoord van kerkelijk samenleven, de belijdenis van de gezamenlijke kerken.[13] En hoewel de toetreding van de plaatselijke kerk tot het kerkverband een vrijwillige keuze is, is zij niet willekeurig, maar schept zij verplichtingen voor de plaatselijke kerk waaraan zij zich alleen kan onttrekken als er geen eenheid in belijden meer is.[14]

Kerkelijke eenheid vernauwd
En daarvoor is dan ook onvoldoende dat er sprake zou zijn van een vertrouwensbreuk, omdat een aantal gemeenten zich niet meer houdt aan het ja-woord dat zij heeft gegeven. Nog los van het feit dat het niet waar is dat een aantal gemeenten zich niet meer zou houden aan hun gegeven ja-woord, rechtvaardigt de Rijnsburggroep haar handelen met een beroep op het christelijke gereformeerde beginsel, net zoals dat gebeurde in 1834 en 1892. Echter, in 1834 verlieten Hendrik de Cock en de zijnen de Nederlandse Hervormde Kerk, omdat de kerkorganisatie de belijdenis (het beginsel) had verlaten. Daarover verklaarden zij in hun akte van Afscheiding en Wederkeer:

sedert geruimen tijd opgemerkt hebbende, het bederf in de Nederlansche Hervormde
Kerk, zoo wel in verminking of verlochening van de leer onzer vaderen gegrond op Gods woord, als in de verbastering van de bediening der Heilige Sacramenten naar de verordineering van Christus in zijn woord; en in het bijna volstrekte verzuim der kerkelijke tucht”;[15]

De daarin geuite beschuldigingen raken rechtstreeks aan het akkoord van kerkelijk samenleven. Het bezwaar van de Rijnsburggroep om zich te onttrekken aan het kerkverband berust op het feit dat een aantal kerken synodebesluiten, op grond van hun geweten, niet voor vast en bondig kan houden, omdat zijn zich gebonden weet aan een andere Schriftuitleg met betrekking tot voornamelijk ViA. Het betreft Schriftuitleg die door het kerkverband nooit is veroordeeld. Sterker, het staat eenieder vrij om de minderheidsvisie uit te dragen. Daarover is ook expliciet uitgesproken

dat broeders en zusters die op het punt van ‘vrouw en ambt’ een visie hebben die afwijkt van de synodale besluiten, hun plaats in de kerken voluit kunnen blijven innemen, maar dat van hen verwacht mag worden dat zij zich voor de kerkelijke praktijk voegen naar de besluiten van de synode”;[16]

Daarbij is de formulering van de uitspraak van belang; het voegen naar de besluiten van de synode wordt uitsluitend noodzakelijk geacht vanwege ‘de kerkelijke praktijk’. Het voegen naar de kerkelijke praktijk wordt daarmee in verband gebracht met de gelijktijdige uitspraak

dat kerkelijke eenheid zich nooit verdraagt met volhardend afwijken van kerkelijke besluiten, en dat deze laatste – op punten waar het gezamenlijk verstaan van de Schrift in het geding is (...).”[17]

Deze uitspraak geeft er blijk van dat de kerkelijke eenheid wordt vernauwd tot het zich voegen naar besluiten van de synode. Deze vernauwing is onterecht en misleidend. Immers, kerkelijke eenheid is principieel gebaseerd op het gezamenlijk belijden. De kerkorde in het algemeen, en de kerkelijke besluiten in het bijzonder, beogen slechts het samenleven in die eenheid van het beleden geloof te dienen, te beschermen en te bevorderen. De kerkorde geeft daarmee dus geen legitimatie om zich aan de verplichtingen van het kerkverband te onttrekken. Dat in de kerkelijke praktijk het afwijken van kerkelijke besluiten tot spanningen kan leiden en ingewikkeld is, is onvoldoende om de verbintenissen uit de kerkorde niet langer meer na te komen tegenover alle kerken van het kerkverband. Daarvoor zal aangetoond moeten worden dat het kerkverband zijn grondslag, zijn belijdenis, het aloude christelijk gereformeerde beginsel, heeft verlaten. Dat was ook precies de kern voor ds. De Cock en de zijnen om de Nederlandse Hervormde kerk te verlaten. De Akte van Afscheiding of Wederkeer stelt letterlijk dat zij zich afscheidt om trouw te blijven aan de aloude gereformeerde leer. Voor hen was de breuk met de kerk juist het bewijs van hun trouw aan de waarheid. Daaraan doet niet af dat de Nederlandse Hervormde Kerk één kerk betreft die op verschillende plaatsen zichtbaar is; het principe van afscheiding van de nationale kerk of van het Christelijke Gereformeerde Kerkverband is exact hetzelfde; er moet sprake zijn van volhardend in strijd zijn met Schrift en belijdenis. Alleen in die situatie is er de plicht om de obligatoire verplichtingen met het kerkverband te beëindigen. Dat het afwijken van synodale besluiten voor de kerkelijke praktijk onwenselijk is, mag zo zijn, maar dat is op zichzelf onvoldoende reden om zich af te scheiden, als zouden die afwijkende kerken niet meer bij de kerk horen.

Integer handelen
Het argument dat er sprake is van strijd met Gods Woord wanneer synodebesluiten niet worden nagekomen, berust op een verkeerde exegese en is daarom misplaatst. Jezus zegt niet in Mattheüs 5:37 ‘afspraak is afspraak’, maar wees integer in wat je zegt. Het gaat om het spreken van de waarheid. Daarvan maakt Jezus duidelijk dat het voor het spreken van de waarheid niet nodig is om dat te bekrachtigen door God als getuige erbij te roepen. Wat je zegt moet kloppen. Als het niet klopt wat er wordt gezegd, komt dat voort uit het kwaad, zo voegt Jezus eraan toe. Door de woorden, “wat je daaraan toevoegt komt voort uit het kwaad”, weg te laten, trekt ds. Egas Jezus’ woorden uit hun verband. Het niet nakomen van een afspraak betekent niet vanzelfsprekend niet-integer handelen, want dat is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Een sprekend voorbeeld is 1 Samuël 25:2-44; David die, toen hij van Nabal stank voor dank kreeg, bij God zwoer dat God mocht doen met hem wat Hij wilde als hij ook maar iemand van het mannelijke geslacht van de familie Nabal in leven zou laten. Daarmee beloofde David nota bene tegenover God - onder ede dus - alle mannen van de familie Nabal te zullen doden. Vervolgens besloot hij om zijn belofte niet gestand te doen. Hij kwam zelfs terug op zijn woorden. Dit dankzij het verstandige optreden van de vrouw van Nabal, Abigaïl. Door haar zag hij in dat hij een verkeerde eed gezworen had, omdat hij daarmee het recht in eigen hand zou hebben genomen en moord zou hebben begaan. Hij komt daarom op zijn eed terug en zegt tegen Abigaïl ‘ga gerust naar huis; ik heb uw woorden aangehoord en uw verontschuldigingen aanvaard.’ Het is onwaarschijnlijk dat ds. Egas van oordeel is dat David tegenover God woordbreuk pleegde en dat hij daarmee ongehoorzaam was aan het Woord van Christus. En dat kan dus ook in de kerk. Het is niet voor niets dat artikel 31 K.O. uitzonderingen maakt op het voor vast en bondig houden van besluiten. Integer zijn, kan namelijk ook betekenen dat, in een conflict van plichten, gehoorzaamheid aan Gods Woord prevaleert boven een synodaal besluit; dat is een legitieme, ethisch verantwoorde, keuze, die beslist niet voortkomt uit het kwaad of, in de woorden van de Statenvertaling, uit de boze.

Ongeoorloofde hergroepering
En daarom is het hergroeperen van de Rijnsburggroep een ongeoorloofde manier om zich af te scheiden, omdat zij daarmee tot uitdrukking brengt dat kerken, die niet tot de Rijnsburggroep behoren, niet meer tot het lichaam van Christus zouden behoren. En het is van tweeën één: of de Rijnsburggroep is van oordeel dat de kerken die niet tot de Rijnsburggroep behoren niet langer tot het lichaam van Christus behoren of, als zij dat niet van oordeel is, maakt zij zich schuldig aan scheurmakerij. Immers, zij verbreekt dan de obligatoire band zonder dat de grondslag van het kerkverband is weggevallen, terwijl zij de kerken met wie zij de band verbreekt, wel beschouwt als behorend  bij  het lichaam van Christus. Het kan in ieder geval niet beide waar zijn. Als de Rijnsburggroep echter van oordeel is dat de niet-Rijnsburggroep geen valse kerken zijn, is er geen enkele legitimatie om zich van haar af te scheiden of zichzelf te organiseren binnen het verband van de Christelijke Gereformeerde Kerken. En daarmee is de suggestie van ds. Egas om te komen tot een vreedzaam naast elkaar bestaan van de Christelijke Gereformeerde Kerken A en Christelijke Gereformeerde Kerken B ongeloofwaardig en zondig. Bovendien is het innerlijk tegenstrijdig met de Afscheiding van 1834 waarnaar ds. Egas verwijst en zijn Rijnsburggroep zich graag mee identificeert. Door als Rijnsburggroep 1834 als ijkpunt te nemen, maar tegelijkertijd te ontkennen dat haar eigen handelen een afscheiding is, valt vanuit historisch en logisch perspectief niet te rijmen met de Afscheiding. De Rijnsburggroep claimt de identiteit van de Afscheiding van 1834, maar weigert de consequenties daarvan te aanvaarden. Daarentegen creëert zij met deze opstelling verwarring, zeker nu zij suggereert dat er wel obligatoire afspraken mogelijk zijn over het beheer en verdeling van het vermogen van de Christelijke Gereformeerde kerken; maar men kan geen twee heren dienen; de Rijnsburggroep kan niet God dienen en tegelijk een bruidsschat willen en daarmee de Mammon dienen. Als de Rijnsburggroep haar eigen standpunten eerlijk onder ogen ziet, moet zij concluderen dat zij moet terugkeren op haar schreden en haar zaak moet inbrengen op de komende GS Hoogeveen, omdat het hergroeperen van de Christelijke Gereformeerde Kerken openlijke scheurmakerij is. Daarmee creëert zij wanorde, wat niet hoort, want onze God is geen God van wanorde, maar van vrede.
________________
[1] Ds. Egas reageert op kritiek rond Rijnsburg en CGK: “Dit is geen kerkscheuring” - Cvandaag.nl. (z.d.). https://cvandaag.nl/109656-ds-egas-reageert-op-kritiek-rond-rijnsburg-e…;  
[2] Acte van Afscheiding of Wederkering - Wikisource. (z.d.). https://nl.wikisource.org/wiki/Acte_van_Afscheiding_of_Wederkering;&nbsp;
[3] idem
[4] Effusion - www.effusion.nl. (z.d.-a). Dat een iegelijk schuldig is zich bij de ware Kerk te voegen | Nederlandse-Geloofsbelijdenis.nl. Belijdenis. https://www.nederlandse-geloofsbelijdenis.nl/artikel-28;&nbsp;
[5] Greijdanus, S. (z.d.-c). SCHRIFTBEGINSELEN VAN KERKRECHT INZAKE MEERDERE VERGADERINGEN. UITGEVERIJ J. BOERSMA ENSCHEDE; .
[6] Bethge, E., †, Feil, E., †, Gremmels, C., Huber, W., Pfeifer, H., †, Schönherr, A., †, Tödt, H. E., †, Tödt, I., & Joachim von Soosten. (1986). DI ET RICH BONHOEFFER WERKE, pagina 154. https://portal.dnb.de;&nbsp;
[7] Greijdanus, S. (z.d.-c). SCHRIFTBEGINSELEN VAN KERKRECHT INZAKE MEERDERE VERGADERINGEN. UITGEVERIJ J. BOERSMA ENSCHEDE, pagina 19; 
[8] Mattheüs 28:19-20
[9] Mattheüs 10:32
[10] Bouwman, H. (1928) § 6. (z.d.). https://kerkrecht.nl/node/2619/;&nbsp;
[11] Selderhuis, J. (Red.). (2019). Handboek Gereformeerd Kerkrecht. Uitgeverij Groen, pagina 12.
[12] Greijdanus, S. (z.d.-c). SCHRIFTBEGINSELEN VAN KERKRECHT INZAKE MEERDERE VERGADERINGEN.  
  UITGEVERIJ J. BOERSMA ENSCHEDE, pagina 28;
[13] Selderhuis, J. (Red.). (2019). Handboek Gereformeerd Kerkrecht. Uitgeverij Groen, pagina 28.
[14] Christelijke Gereformeerde Kerken CGK. (2025b, juli 2). Kerkrechtelijke lijnen rond het kerkverband - 
  Christelijke Gereformeerde Kerken: CGK. Christelijke Gereformeerde Kerken: CGK.  
https://cgk.nl/binnen-de-kerk/deputaatschappen/kerkorde-en-kerkrecht/ke…;
[15] Acte van Afscheiding of Wederkering - Wikisource. (z.d.).   
  https://nl.wikisource.org/wiki/Acte_van_Afscheiding_of_Wederkering;&nbsp;
[16] Besluiten generale synode Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland. (2022d). Besluiten generale 
  synode Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland Dordrecht - Nunspeet 2019-2022.  
  https://cgk.nl/wp-content/uploads/2023/07/AC_052022_besluitenboekje_DIG…;
[17] idem

Reactie toevoegen

De taalcode van de reactie.
Protected by Spam Master