De Rijnsburggroep forceert een kerkscheuring binnen de CGK op basis van ondeugdelijke argumenten. en zij hanteert een slachtofferrol. De weg van de vrede vereist terugkeer naar de gezamenlijke synode Hoogeveen.
De Rijnsburggroep zet haar openlijke kerkscheuring volhardend voort. Ze wekt daarbij de indruk redelijk te zijn en zich ervoor in te zetten een harde kerkbreuk te voorkomen. Daarbij schuwt zij niet de verantwoordelijkheid voor een harde kerkelijke breuk bij anderen dan haarzelf neer te leggen. Dat blijkt uit de brief die de Rijnsburggroep aan alle deputaatschappen van de Christelijke Gereformeerde Kerken heeft gestuurd. De waarheid is echter dat de Rijnsburggroep degene is die een kerkbreuk bewust forceert en die op ondeugdelijke gronden probeert te rechtvaardigen.
Vilein verwijt
De brief bevat onder andere een link naar de website van de Rijnsburggroep met daarin een reactie op de brief die het deputaatschap KOKR aan deputaatschappen heeft verstuurd.[1] De brief van het deputaatschap KOKR gaat in op de status van deputaten en deputaatschappen, omdat de Rijnsburggroep een eigen kerkelijke structuur heeft opgezet. Het geeft uitleg over en biedt handvatten om als deputaten en deputaatschappen daarmee om te gaan.[2] De Rijnsburggroep is het duidelijk niet eens met de inhoud van de brief van het deputaatschap KOKR, maar haar argumenten wekken op zijn minst verwondering, omdat zij niet deugen. Merkwaardig, omdat de Rijnsburggroep het mandaat van het deputaatschap KOKR betwist onder verwijzing naar de beginselen van de kerkorde en het gereformeerde kerkrecht zonder overigens nader te concretiseren welke beginselen van de kerkorde en het gereformeerde kerkrecht zouden zijn geschonden. Verder blijkt er sprake van enige verontwaardiging bij de Rijnsburggroep. Zij vindt dat het deputaatschap in het verleden wel terughoudend adviseerde over het treffen van maatregelen tegen kerken die synodebesluiten niet voor vast en bondig houden, terwijl het deputaatschap nu van oordeel is dat de Rijnsburggroep buiten het verband zou moeten worden geplaatst en dat deputaten, die zich verwant weten met het initiatief van Rijnsburg, zouden moeten opstappen. Dit is een vilein verwijt, omdat het deputaatschap niet adviseert om de Rijnsburggroep buiten het kerkverband te plaatsen, maar slechts concludeert dat de Rijnsburggroep zichzelf buiten het kerkverband plaatst doordat zij haar eigen parallelle kerkelijke organisatie vormt. Zij beschrijft vervolgens de consequenties van de keuzes die de Rijnsburggroep, en zij die zich tot de Rijnsburggroep rekenen, zelf hebben gemaakt. Daarbij blijkt dat het deputaatschap zich in zijn advies baseert op de uitlatingen en gedragingen van de Rijnsburggroep zelf, bijvoorbeeld onder verwijzing naar de vergadering van de Rijnsburggroep van 21 maart 2026. Kennelijk is het voor de Rijnsburggroep moeilijk om met haar eigen handelingen en keuzes te worden geconfronteerd. Dat valt uiteraard het deputaatschap niet te verwijten.
Slachtofferrol
In feite lijkt de Rijnsburggroep zich in een slachtofferrol te plaatsen. Dat blijkt onder andere uit haar opmerkingen in reactie op de opmerkingen van het deputaatschap dat in de uitvoering van het mandaat een complexe situatie ontstaat wanneer de eenheid van het kerkverband en de legitimiteit van de generale synode ter discussie staan bij de Rijnsburggroep. De Rijnsburggroep stelt namelijk in haar reactie daarop dat de legitimiteit van de kerkelijke meerdere vergaderingen al jarenlang ter discussie zou staan. Echter, nooit en op geen enkel moment heeft de legitimiteit van meerdere vergaderingen zelf ter discussie gestaan. En dat komt ook niet door het van binnenuit negeren van kerkelijke besluiten door het invoeren van afwijkend beleid, o.a. ten aanzien van ‘homoseksualiteit’ en ‘vrouw en ambt’. Immers, zou dat zo zijn dan zouden die besluiten, waarop de Rijnsburggroep zich steeds beroept, kennelijk ook legitimiteit ontberen voor de Rijnsburggroep. Echter, het grootste bezwaar van de Rijnsburggroep tegen afwijkende kerken is dat zij in strijd zouden handelen met de gezamenlijke besluiten die zijn genomen met een beroep op de Schrift en als principieel zijn geduid. Dat impliceert dat de Rijnsburggroep helemaal niet twijfelde aan de legitimiteit van deze synodebesluiten, zodat zij ook niet kan twijfelen aan de legitimiteit van de kerkelijke vergadering, die deze besluiten heeft genomen. En de kerken die bepaalde besluiten - voornamelijk over ViA en in beduidend mindere mate met betrekking tot homoseksualiteit - op grond van hun geweten niet voor vast en bondig kunnen houden, hebben ook nooit de legitimiteit van de kerkelijke vergadering ter discussie gesteld; het enige wat deze kerken bezwaardt, is dat zij die besluiten in strijd vinden met de Schrift vanwege verschillend Schriftverstaan. Om die reden konden zij die besluiten voor zichzelf niet voor vast en bondig houden. Echter, de kerken die bepaalde besluiten niet voor vast en bondig kunnen houden, hebben het kerkverband om die reden nooit de rug toegekeerd; integendeel zij zijn altijd loyaal geweest aan het kerkverband en hebben zich, ondanks de bezwaarlijke besluiten, actief ingezet voor het kerkverband. Ook hebben zij de kerkelijke weg gevolgd om hun bezwaren tegen de synodebesluiten beargumenteerd, op grond van Gods Woord, te betwisten. De suggestie dat de legitimiteit van de kerkelijke vergaderingen ter discussie zou hebben gestaan, valt dus niet met feiten te staven.
Soevereiniteit van Woord
Iets anders is dat de Rijnsburggroep, ondanks jarenlang gesprekken, commissiewerk, rapporten, en vele pogingen tot het vinden van een gezamenlijke weg, uit het oog verloren is dat het Woord van God de grens is van alle kerkbestuur en dat daarom de kerk nooit de indruk mag wekken dat de meerderheid regeert en dat iedereen zich gewoon moet schikken naar een meerderheidsbesluit of men zich daar nu door belast voelt of niet. In de kerk gaat het namelijk altijd om de soevereiniteit van het Woord, niet om de soevereiniteit van de meerderheid. Het gaat daarom over overeenstemming en niet om conformiteit. En daarom moet de kerk er alles aan doen om plaatselijke kerken met gewetensbezwaren op grond van Gods Woord niet te dwingen mee te werken aan de uitvoering van besluiten waarover zij gewetensbezwaren hebben.[3] Vanuit de Rijnsburggroep is aan dit principe geen of onvoldoende aandacht gegeven. Dat klemt, omdat met name voor de kwestie ViA, samenwerkende en samenwerkingsgemeenten daardoor inmiddels al jarenlang klem en verloren zijn geraakt binnen het kerkverband, waarvoor vanuit de Rijnsburggroep nooit enige interesse is getoond.[4] Artikel 31 K.O. brengt met zich mee als iemand in zijn eigen geweten voor God ervan overtuigd is dat een bepaald besluit van een kerkelijke vergadering in strijd is met het Woord van God, hij dan niet geroepen is om dat besluit te gehoorzamen, zelfs niet als hij bij verder beroep in het ongelijk zou worden gesteld, want dat is in overeenstemming met artikel 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Als dit een „zwakte” van het gereformeerde stelsel is, dan is het een zwakheid die voortkomt uit het gereformeerde beginsel dat de Schrift de enige bron van gezag is over het leven van mensen.[5] De synodale structuur is dus helemaal niet stuk, maar de kerkorde wordt niet op de juiste wijze toegepast en daarom ontstaat er wanorde in het kerkverband. Plaatselijke kerken kunnen eenvoudigweg het meerderheidsbesluit over ViA niet aanvaarden, omdat zij ervan overtuigd zijn dat het niet in overeenstemming is met de Schrift en om die reden voor hen geen enkel gezag heeft.[6] Dit nog daargelaten dat de behandeling en verwerping van de revisieverzoeken door de generale synode Rijnsburg-Nunspeet op zijn minst genomen niet de kerkrechtelijke schoonheidsprijs verdienen. Het is daarom te gemakkelijk de schuld van de wanorde neer te leggen bij de kerken die bepaalde besluiten op grond van de 'tenzij-bepaling' niet voor vast en bondig houden.
Onvoldoende inspanning
Daarbij komt dat de Rijnsburggroep zich onvoldoende heeft ingespannen en ingezet om de vrede te bewaren. Het argument van de Rijnsburggroep dat 'de plaatselijke kerken van de synode de taak hebben gekregen om zich kerkelijk te (her)groeperen' geen enkele steun vindt in de feiten. Immers, in formele zin heeft de synode dat niet uitgesproken, maar de synode heeft bovendien helemaal geen bevoegdheid om taken aan de plaatselijke kerken te geven in strijd met het eigen kerkrecht, in het bijzonder de kerkorde en haar eigen huishoudelijk reglement. Een slechter argument valt niet te bedenken. Verder getuigt het van zelfingenomenheid en kerkelijke hoogmoed om te beweren dat de aanwijzing van de roepende kerk niet legitiem zou zijn. Van een onbevoegde aanwijzing van een roepende kerk door deputaten Vertegenwoordiging is in het geheel geen sprake. Ook met dit standpunt kiest de Rijnsburggroep bewust voor wanorde, omdat van haar argumenten niets deugt. Haar standpunt is, om te beginnen, direct in strijd met artikel 36 Nederlandse Geloofsbelijdenis. Daarin wordt immers beleden dat iedereen verplicht is om, ongeacht welke maatschappelijke positie men ook heeft, zich aan de overheid te onderwerpen.[7] Door de legitimiteit van de aanwijzing te ontkennen, ontkent de Rijnsburggroep de legitimiteit van de uitspraak door de burgerlijke rechter. Te beweren dat het niet aanwijzen van de roepende kerk niet legitiem zou zijn, omdat het niet overeenkomt met de kerkelijke werkelijkheid, is een aaneenschakeling van drogredenen. Het besluit om geen roepende kerk aan te wijzen, schiep die werkelijkheid, maar de kerkelijke werkelijkheid schiep uiteraard niet het besluit. De kerkelijke werkelijkheid is namelijk dat artikel 50 K.O. dwingend voorschrijft dat er een roepende kerk bij het sluiten van de generale synode moet worden aangewezen, ongeacht wat de beweegredenen ook waren om het niet te doen.[8]
Onwil
Voor zover de Rijnsburggroep betoogt dat de toenmalige deputaten Vertegenwoordiging Hoogeveen meenden te moeten aanwijzen als roepende kerk om de gang naar de burgerlijke rechter te stoppen, is dat eveneens een drogreden. De feitelijke situatie is dat deputaten Vertegenwoordiging in eerste instantie het hebben laten aankomen op een kort geding, omdat zij vermoedelijk de verwachting hadden dat het kort geding geen redelijke kans van slagen zou hebben. Pas toen tijdens de mondelinge behandeling bleek dat de vorderingen voor toewijzing gereed lagen, hebben deputaten Vertegenwoordiging ervoor gekozen om zelf de roepende kerk aan te wijzen. Ruimschoots voorafgaande aan het kort geding had het deputaatschap KOKR al in een notitie aan de kerken duidelijk gemaakt dat het sluiten van de generale synode zonder aanwijzing van een roepende kerk illegitiem was.[9] Het blijkt dat deputaten Vertegenwoordiging ook voorafgaande aan de behandeling van het kort geding door meerdere kerkrechtdeskundigen is geadviseerd om alsnog zelf een roepende kerk aan te wijzen. Ondanks deze adviezen volhardde deputaatschap Vertegenwoordiging, in meerderheid, om dat niet te doen, omdat het zelf meende daartoe niet bevoegd te zijn, ondanks andersluidende adviezen.[10] In dit verband mag niet onopgemerkt blijven dat de ds. Buijs en ds. Oosterbroek het ook niet eens waren met het meerderheidsstandpunt van het deputaatschap Vertegenwoordiging om geen nieuwe roepende kerk aan te wijzen. In een interview na afloop van de mondelinge behandeling bevestigt ds. Oosterbroek expliciet het eens te zijn met het standpunt van Broeksterwoude.[11] Als het deputaatschap Vertegenwoordiging geen juridische procedures had gewild dan had het ook voorafgaande aan het kort geding de roepende kerk kunnen aanwijzen. Dan was een juridische procedure helemaal niet nodig geweest. Echter, daartoe ontbrak de wil. Tijdens de zitting bleek echter dat aan het aanwijzen van de roepende kerk Hoogeveen niet te ontkomen was. Het argument dat de aanwijzing plaatsvond om de gang naar de rechter te stoppen is daarom niet meer dan een gelegenheidsargument, omdat in eerste instantie door deputaten Vertegenwoordiging bewust niet is aangestuurd op het voorkomen van het kort geding.
Uitdrukkelijk bevoegd
Los hiervan is evenmin juist dat sprake zou zijn geweest van een onbevoegde aanwijzing van de roepende kerk Hoogeveen door het deputaatschap Vertegenwoordiging. De voorzieningenrechter heeft namelijk in zijn vonnis zich uitdrukkelijk uitgelaten over de bevoegdheid van het deputaatschap Vertegenwoordiging om, namens de generale synode, een roepende kerk aan te wijzen nu de Generale Synode zelf in strijd heeft gehandeld met artikel 50 K.O. Die overwegingen maken duidelijk dat de bezwaren van de aftredende deputaten Vertegenwoordiging kerk- en civielrechtelijk geen standhouden. Uit rechtsoverweging 3.8 van het vonnis blijkt namelijk dat deputaten Vertegenwoordiging ondanks de aanwijzing van de roepende kerk Hoogeveen de legitimiteit van die aanwijzing betwisten. Juist vanwege deze dubbelhartigheid in de besluitvorming van deputaten Vertegenwoordiging wilde Broeksterwoude aan haar vordering vasthouden; die vordering hield in dat de synode opnieuw bij elkaar zou moeten komen om alsnog een roepende kerk aan te wijzen. In het vonnis laat de voorzieningenrechter er echter geen misverstand over bestaan dat het deputaatschap Vertegenwoordiging beschikt over voldoende mandaat om namens de Generale Synode alsnog de roepende kerk aan te wijzen. De voorzieningenrechter wijst erop dat er weinig twijfel over bestaat dat de Generale Synode, had zij zich gerealiseerd dat haar besluit nietig zou zijn, wel een roepende kerk zou hebben aangewezen en dat, zo was immers ook het voornemen, de CGK Hoogeveen met die taak zou zijn belast. Daarnaast wijst de voorzieningenrechter op de mandaatverlening aan het moderamen bij het synodebesluit van 4 juni 2025 en op artikel 84 K.O.[12] Met het vonnis en de daarin opgenomen overwegingen van de voorzieningenrechter zijn de twijfels over de legitimiteit weggenomen. De voorzieningenrechter overweegt ten aanzien hiervan:
“Op grond van deze instructie en artikel 84 K.O. was er, anders dan door het oud-moderamen in het besluit aangegeven, wel degelijk voldoende mandaat om alsnog te voorzien in de in gebiedende wijs voorgeschreven aanwijzing van een roepende kerk, ook omdat daarmee op geen enkele wijze wordt vooruitgelopen op enige verdere besluitvorming in de bij een te roepen Generale Synode en die beslissing wordt ondersteund door verschillende juridische deskundigen, waaronder het deputaatschap kerkorde en kerkrecht van de Christelijk Gereformeerde Kerken in Nederland.”
Daaraan kan worden toegevoegd dat zelfs zonder het mandaatbesluit van de generale synode van 4 juni 2025 artikel 84 K.O. voldoende rechtswaarborgen biedt voor het deputaatschap Vertegenwoordiging om namens de generale synode een roepende kerk aan te wijzen. Immers, deze aanwijzing betreft een vermogensrechtelijke zaak zoals bedoeld in artikel 84 K.O. Nu evenwel de voorzieningenrechter nadrukkelijk de legitimiteit van de aanwijzing van de roepende kerk door het deputaatschap Vertegenwoordiging heeft bevestigd, vindt de blote betwisting van deze legitimiteit geen steun in het recht noch in het kerkrecht in het bijzonder.
De Rijnsburggroep blokkeert zelf gesprek
En daarmee klopt de redenering van de Rijnsburggroep niet. Het is namelijk de Rijnsburggroep zelf die een ordelijk uiteengaan frustreert. Vaststaat dat de weg van de vrede de weg naar Hoogeveen is. Deputaten KOKR noch deputaten Vertegenwoordiging blokkeren de mogelijkheid van gesprek, maar dat doet de Rijnsburggroep zelf door categorisch te weigeren de kerkelijke weg te gaan en het gesprek te voeren op de plek en in het gremium waar dat kerkordelijk hoort, de Generale Synode van Hoogeveen. Voor zover de Rijnsburggroep de suggestie wekt dat er sprake zou zijn van een gezamenlijke verantwoordelijkheid zijnde een eigen verantwoordelijkheid van de Rijnsburggroep en die van de CGK, miskent zij dat zij binnen het kerkverband van de CGK slechts een onofficiële entiteit is. De kerkorde kent geen andere vergaderingen dan die in de kerkorde zijn vastgelegd. De Rijnsburggroep meet zichzelf een status aan van gesprekspartner, terwijl zij dat eenvoudigweg niet is. Daarmee blokkeert de Rijnsburggroep zelf de mogelijkheid van gesprek over de gezamenlijke verantwoordelijkheden, die overigens niet alleen de verantwoordelijkheid van de Rijnsburggroep als zodanig is, maar een verantwoordelijkheid van alle 181 kerken van het kerkverband. Het is dus niet de houding van het deputaatschap KOKR die tot gevolg heeft dat de gezamenlijke gedragen verantwoordelijkheden op termijn kennelijk niet meer gezamenlijk gedragen kunnen worden door de kerken, maar het is de houding van de Rijnsburggroep zelf. Zij weigert immers doelbewust en stelselmatig om zich te conformeren aan de kerkelijke weg. Dit ondanks dat zij zichzelf nog steeds beschouwt als behorend tot het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Kerken.
Geen gesprekspartner, maar kerkelijke weg
Een groep van kerken, en dus ook de Rijnsburggroep, is als zodanig geen gesprekspartner van deputaatschappen of van de Generale Synode. Hoewel de Rijnsburggroep zich presenteert als een soort gesprekspartner is zij dat niet. Dat zij zichzelf als zodanig beschouwt, kan het geval zijn, maar dat heeft geen enkele legitimatie, omdat het eenvoudigweg geen kerkordelijke basis heeft. En het is dus niet zo dat een eventuele harde breuk van een kerkscheuring veroorzaakt zou worden door de CGK, integendeel; het is de Rijnsburggroep die deze harde breuk veroorzaakt door willens en wetens zich te onttrekken aan haar kerkordelijke verplichtingen. En daarmee stuurt zijzelf aan op een harde kerkelijke breuk. Zij blijkt immers niet langer bereid om de kerkelijke weg te volgen. Een groot aantal kerken van de Rijnsburggroep verzaakt hun plicht om kerkelijke vergaderingen te bezoeken. Of zij ontregelt die door met zogenaamde beperkte lastbrieven ter vergadering te komen. Door een enkele kerk, die zich rekent tot de Rijnsburggroep, is zelfs schriftelijk verklaard dat zij besluiten van meerdere vergaderingen, zoals een classis, na 4 juni 2025 niet meer voor vast en bondig houden. Het klinkt mooi als de Rijnsburggroep schrijft aan alle deputaatschappen:
"Het gaat om het gesprek over de borging van gezamenlijke verantwoordelijkheden vanuit de gezamenlijke zorg voor onder andere personen en projecten. Daarin kan dan vastgesteld worden of en hoe deze zaken gedragen kunnen worden door beide delen, of door één daarvan".
Als de Rijnsburggroep meent wat zij zegt dan schrijft zij geen brieven aan deputaatschappen, maar bewandelt zij de kerkelijke weg. Dat wil zeggen dat de leidslieden van de Rijnsburggroep de kerken van de Rijnsburggroep zouden moeten oproepen en stimuleren om hun kerkelijke verplichtingen na te komen. Met deze brieven doet de Rijnsburggroep in feite precies het tegenovergestelde. Ze wakkert polarisatie aan door nota bene het deputaatschap KOKR het verwijt te maken dat het een weg van uitsluiting zou wijzen. Dat is de wereld op haar kop. Het is de Rijnsburggroep die de keuze heeft gemaakt om zich op ondeugdelijke gronden aan het kerkelijke leven van de CGK te onttrekken zonder het kerkverband metterdaad te verlaten. Deputaten KOKR wijzen de Rijnsburggroep en haar sympathisanten op de gevolgen daarvan en de Rijnsburggroep onttrekt zich vervolgens aan haar eigen verantwoordelijkheid door de schuld van die wanorde bij het deputaatschap te leggen. Om vervolgens in dezelfde brief wel aan te dringen op gesprek, terwijl zij weet dat deze route onbegaanbaar is, omdat de kerkorde zich daartegen verzet waardoor het een Generale Synode, roepende kerk of deputaten Vertegenwoordiging aan enig mandaat ontbreekt gesprekken te voeren over de door de Rijnsburggroep georganiseerde kerkbreuk.
Geen gunst, maar verplichting
De Rijnsburggroep wekt de indruk dat zij de CGK een gunst bewijzen door te verklaren haar financiële verplichtingen aan het kerkverband na te komen, maar dat is het uiteraard niet. De kerkelijke afdrachten zijn verplichtingen waaraan alle kerken van de CGK gebonden zijn en dus ook de Rijnsburggroep. Een toezegging om te doen waartoe al een verplichting bestaat, is dus niets bijzonders. Voor zover de Rijnsburggroep daarmee wil zeggen dat zij op enig moment het kerkverband gaat verlaten, is die keuze aan haar. Zolang daarvan echter nog geen sprake is, zullen de kerkelijke afdrachten gewoon moeten plaatsvinden en vertelt de Rijnsburggroep dus niets bijzonders. Het heeft er alle schijn van dat Rijnsburggroep met die mededeling de CGK onder druk wil zetten om haar als formele gesprekspartner te accepteren bij gebreke waarvan zij haar verplichtingen niet langer zal nakomen. Dat zou ronduit chantage zijn. Voor zover de Rijnsburggroep met haar opmerking wil suggereren dat eventuele toekomstige financiële problemen binnen de CGK het gevolg zijn van het feit dat de CGK haar niet als gesprekspartner heeft erkend, is die suggestie manipulatief. Het is immers de Rijnsburggroep die er bewust voor kiest om zich niet te voegen binnen de bestaande structuur van het kerkverband. Daardoor komt het gesprek tussen de kerken niet tot stand. De enige oplossing om wanorde te voorkomen is dat alle 181 CGK kerken hun verplichtingen nakomen door kerkelijke vergaderingen bij te wonen en naar de Generale Synode van Hoogeveen te gaan. Dat moet ook als er van die Generale Synode geen hoge verwachtingen zouden bestaan bij de Rijnsburggroep. Dan is er gebed nodig en geloof dat de Geest in staat is om ongekende dingen te doen. Het gaat immers om het kerkverband dat belijdt dat Jezus Christus daarvan zelf het hoofd is. Hij is de kerk. Dat alleen bevordert de vrede. De Rijnsburggroep gebruikt nu echter een ondeugdelijk narratief door zichzelf als redelijk en oplossingsgericht neer te zetten en deputaten KOKR en deputaten Vertegenwoordiging als onredelijk weg te zetten. Uit de feiten blijkt dat haar verhaal niet is gebaseerd op deugdelijke en verifieerbare feiten. En daarom moet de Rijnsburggroep stoppen met het ontregelen en ondermijnen van het CGK-kerkverband. Daarvoor is geen enkele legitimatie. Als het de Rijnsburggroep daadwerkelijk te doen zou zijn om de handhaving van de door haar gehanteerde vierslag, moet zij zichzelf daaraan dan ook houden. Dat voorkomt namelijk wanorde binnen de CGK en schept vrede. Dan gaat zij de kerkelijke weg van Hoogeveen, want onze God is geen God van wanorde, maar van vrede
________________
[1] Unknown. (z.d.-c). Inhoudelijke reactie op de handreiking van deputaten Kerkorde en Kerkrecht. In Unknown.
[2] Spijker, W. van ‘t, & Toorn, A. J. van der (2026). Handreiking: Kerkrechtelijke positie en gevolgen voor deputaatschappen.
[3] Jonker, W., & Jonker, W. (2020, 29 november). Om die regering van Christus in Sy Kerk. Willie Jonker. https://williejonker.co.za/toesprake_1965, pagina 23.
[4] Ester, H. (2018, 24 maart). Klem en verloren in de kerk. Nederlands Dagblad. https://www.nd.nl/opinie/opinie/576805/klem-en-verloren-in-de-kerk
[5] Jonker, W. & Gert J. Duursema. (2026). De aard van kerkelijk gezag in de ecclesiologie van W. D. Jonker. In LitNet Academies (Vols. 14–1) [Journal-article]. https://williejonker.co.za/die-aard-van-kerklike-gesag-die-kerkregtelik…
[6] idem, pagina 30
[7] Effusion - www.effusion.nl. (z.d.-g). Van het ambt der overheid | Nederlandse-Geloofsbelijdenis.nl. Belijdenis. https://www.nederlandse-geloofsbelijdenis.nl/artikel-36;
[8] Rechtbank Gelderland, 25 september 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:8038, r.o. 3.6
[9] Deputaten Kerkorde & Kerkrecht. (2025). De synode sloot zonder roepende kerk aan te wijzen. Wat betekent dat voor het voortbestaan van het kerkverband? Cgk. https://cgk.nl/wp-content/uploads/2025/06/Kerkrechtelijke-lijnen-rond-h…;
[10] Stolk, M. (2025b). Christelijke gereformeerde kerk stapt naar de rechter en wil nieuwe synode: „Kerkelijk leven loopt vast”.
[11] De Graaf, H. (2025). Betrokkenen reageren op CGK-rechtszaak: “We hopen op een doorbraak”; Meijer, H., & Legemaat, M. (2025, 2 september). Verdeeld synodebestuur CGK wikt en weegt: komt er na het kort geding wel of geen nieuwe synode? Nederlands Dagblad. https://www.nd.nl/geloof/protestant/1283486/verdeeld-synodebestuur-cgk-…;
[12] Rechtbank Gelderland, 25 september 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:8038, r.o. 3.9

Reactie toevoegen