Elasticiteit van artikel 31 K.O.

Kritiek op de afvaardiging naar de CGK-synode miskent vaak de essentie van ons kerkrecht. Deze bijdrage pleit voor een herontdekking van artikel 31 K.O.: door lokale zendingssituaties vooraf gezamenlijk te wegen, ontstaat er breed gedragen besluitvorming die gewetensdwang en independentisme voorkomt.

elasticiteit van artikel 31 k.o.
Hans Bügel

Een element in de kwestie van de CGK dat regelmatig aan de orde wordt gesteld, is de samenstelling van de Generale Synode. Die samenstelling zou niet evenwichtig zijn. De afvaardiging zou daarmee niet representatief zijn. Een andere gehoorde klacht is dat het onredelijk zou zijn dat elke plaatselijke kerk, ongeacht haar grootte, evenveel stemrecht heeft in de classis (de regionale kerkelijke vergadering). Hoe begrijpelijk deze punten ook zijn, zij gaan voorbij aan de goede werking van het kerkrecht en de kerkorde in het bijzonder. Zij worden relevant als het kerkrecht en de kerkorde op verkeerde wijze worden toegepast, want dan lijken evenwichtige vertegenwoordiging en evenwichtige afvaardiging belangrijk te zijn. Dat komt weer voort uit een verkeerde visie op kerkelijke besluitvorming, in het bijzonder een verkeerde uitleg en toepassing van artikel 31 K.O.. De kern van het probleem lijkt te zijn dat de ruimte en rekbaarheid die art. 31 K.O. biedt is ondergesneeuwd in de kerkelijke besluitvorming.

Optimale flexibiliteit
Artikel 31 K.O. geeft ruime mogelijkheden om te komen tot goede besluitvorming. Het artikel is rekbaar, omdat het steeds mogelijkheden biedt om nieuwe besluiten te nemen binnen de bandbreedte van Schrift, belijdenis en kerkorde. Van de volledige elasticiteit van artikel 31 K.O. wordt in de praktijk onvoldoende gebruikgemaakt waardoor het artikel eerder fungeert als een wet van Meden en Perzen, dan als de smeerolie in kerkelijke besluitvorming. Artikel 31 K.O. biedt namelijk optimale flexibiliteit dat recht doet aan het karakter van het kerkrecht zijnde vredesrecht. Wie de kracht van artikel 31 K.O. op juiste waarde weet te schatten, zal ontdekken dat het ruimte geeft aan plaatselijke kerken en aan hun onderlinge samenwerking binnen het bereik van het kerkverband waaraan deze kerken behoren. Door gebruik te maken van de elasticiteit van artikel 31 K.O. kunnen de Rijnsburggroep en de overige CGK-kerken prima samenleven binnen hetzelfde kerkverband en de onderlinge vrede bewaren.

Context en aard van artikel 31 K.O.
Zoals in meerdere Vrije-Interpretaties uiteengezet, is artikel 31 K.O. een genuanceerd, uitgebalanceerd artikel dat het evenwicht bewaart tussen de plaatselijke zelfstandigheid van kerken en de gezamenlijkheid van de kerken als een geestelijke eenheid, die gegrond is op Schrift en belijdenis. Artikel 31 K.O. schept de bevoegdheid voor kerkelijke vergaderingen, van kerkenraad tot generale synode, om bindende besluiten te nemen. Gegeven dat plaatselijke kerken behoren tot het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland, hebben zij ook de kerkorde van de CGK aanvaard. Daarin ligt ook de aanvaarding van het besluitvormingsproces en besluitvorming volgens artikel 31 K.O. besloten. Artikel 31 K.O. stelt voorwaarden aan het besluitvormingsproces en daarmee ook aan de rechtsgeldigheid van besluiten die kerkelijke vergaderingen nemen. Het artikel kent formele en materiële voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om rechtsgeldige besluiten te kunnen nemen. Van belang is om te beseffen dat artikel 31 K.O. niet op zichzelf staat. Naast de formele en materiële voorwaarden, die het artikel zelf geeft voor rechtsgeldige besluiten, staat artikel 31 K.O. ook in de context van de aard en het doel en de beginselen van gereformeerd kerkrecht. Wie de context van artikel 31 K.O. uit het oog verliest, haalt gemakkelijk de rek uit artikel 31 K.O.. De aard van het kerkrecht betreft de goede orde door de Heer gegeven, die moet worden toegepast, bewaard en uitgebouwd in het licht van Gods koninkrijk dat komt.[1] Dat impliceert dat kerkrecht naar zijn aard gaat over Christus en over het op juiste wijze functioneren van Zijn lichaam.[2] De diepere betekenis hiervan is dat de plaats van Jezus Christus in de wereld na Zijn hemelvaart is ingenomen door zijn lichaam, de kerk. Die kerk is één; zij is het lichaam van Christus, maar tegelijk is zij de veelheid en de gemeenschap van de leden.[3] En het lichaam van Christus is de plaats van de verzoening, de vrede tussen God en mensen. God vindt in het lichaam van Christus de mens, en de mens vindt zichzelf in het lichaam van Christus door God aangenomen. Zijn lichaam is de geestelijke tempel.[4] En dat niet alleen, Paulus maakt duidelijk dat de mens ook zelf de tempel is van de levende God, door God zelf aangenomen als Zijn zonen en dochters.[5] Ds. H. Bouma schrijft in dit verband: “De ‘goede orde’ is dus die orde, waardoor de zaak van de Zoon van God, de door Hem verworven vrede, wordt gediend. De apostel is blij, wanneer hij verneemt dat die orde in de gemeente heerst. Overigens is die orde slechts dan goed te noemen, wanneer zij een bolwerk is van levend geloof (Kol. 2: 5). Zou dat geloof ontbreken, dan verhult de kerkelijke orde de geestelijke dood. Dan verwordt orde tot knevelarij en dwang van de hiërarchie. Heel de orde van de kerk moet ertoe dienen, dat het werk van de Geest goede voortgang zal hebben in de kerk en in de wereld”.[6] Het belang van deze context is dus dat een kerkelijke vergadering niet willekeurige besluiten neemt bij meerderheid van stemmen, maar besluiten die dienstig zijn aan het koninkrijk van God, meer in het bijzonder dienstig aan de voortgang van het Evangelie. Immers, de missie van de kerk is om alle volken tot discipelen van Jezus Christus te maken.[7] Ook Paulus laat er geen misverstand over bestaan dat het Evangelie verkondigd moet worden.[8] En daarmee zijn kerkrecht, in het bijzonder de kerkorde en meer bijzonder kerkelijke besluiten, hulpmiddelen van en voor de kerken om hun doel, dat wil zeggen hun opdracht, vorm en inhoud te geven.

Missio Dei
Het belang daarvan is dat de kerkorde in het algemeen en kerkelijke besluiten in het bijzonder geen wetten zijn, laat staan wetten van Meden en Perzen. Hun bindende kracht ligt daarin dat zij dienen om de orde te bewaren, opdat de kerken zich kunnen richten op de Missio Dei. Gelet op het doel van de kerkorde kan er van haar zelfs worden afgeweken, waarbij het motief daarvoor het beter bewaren van de orde is.[9] Hoewel het afwijken van de kerkorde nooit willekeurig mag gebeuren en in die zin ook aan regels is gebonden, heeft dat ook betekenis voor de uitleg en de toepassing van artikel 31 K.O.. Besluiten moeten de missie van de kerk dienen, zowel plaatselijk als in het kerkverband. Niet voor niets dat artikel 31 K.O. voorop stelt dat ‘besluiten van de vergaderingen worden genomen na gemeenschappelijk overleg en  zo mogelijk met eenparige stemmen’. Dit voorschrift is geen formaliteit, maar intentioneel. De bedoeling is namelijk dat kerkelijke besluiten te allen tijde functioneel zijn aan de missie van de kerken, de verkondiging van het Evangelie. Besluiten die dat doel niet dienen of daarmee in strijd zijn, zijn in feite nutteloos, omdat zij de taak en opdracht van de kerken frustreren. Het impliceert ook dat gemeenschappelijke besluiten die de kerken in kerkelijke vergaderingen nemen, als uitgangspunt functioneel moeten zijn voor elke kerk afzonderlijk.  Daarom is onderling overleg over de te nemen besluiten noodzakelijk. Hier komt ook artikel 32 Nederlandse Geloofsbelijdenis in beeld. Immers, het stellen van regels in de kerk is nuttig en goed om de organisatie van de kerk te handhaven, maar zij mogen niet afwijken van wat Christus, onze enige Meester, ons geboden heeft.[10] Christus heeft onder andere geboden om alle volken tot zijn leerlingen te maken, volgelingen van Hem. En dat betekent dat besluiten die daaraan in de weg staan, besluiten zijn die afwijken van wat Christus ons geboden heeft. Het overleg en de eenparigheid staan daarmee ten dienste van de opdracht van de kerken om mensen tot geloof en bekering te brengen. Het overleg moet er dus op gericht zijn om gewetensdwang te voorkomen en de saamhorigheid, eenheid en de gehoorzaamheid aan God te versterken of in stand te houden.[11] Immers, alleen dat soort besluiten bevorderen eenheid, die bijdragen aan de Missio Dei; ‘ik bid niet alleen voor hen, maar voor allen die door hun verkondiging in Mij geloven. 21 Laat hen allen één zijn, Vader. Zoals U in Mij bent en Ik in U, laat hen zo ook in Ons zijn, opdat de wereld gelooft dat U Mij hebt gezonden’.[12] Willen de kerken missionair kunnen zijn, dan dienen zij ook in hun besluitvorming telkens hun opdracht voor ogen te houden.

Missionair karakter
Dat gemeenschappelijk overleg is dus niet slechts gericht op het bewaren van de eenheid als een doel op zich, om de lieve vrede wil, maar dat heeft ook een missionair karakter. De missionaire opdracht van Jezus is geen statische opdracht waarbij de methode van de opdracht altijd en overal hetzelfde is. Nee, de Missio Dei vraagt om Paulinische contextualisatie, dat wil zeggen: "de Joden een Jood, en de Grieken een Griek”. Kerken moeten namelijk kunnen aansluiten bij de cultuur waarin zij zijn gezonden om, met het oog op de voortgang van het Evangelie, lokaal de noodzakelijke brug te slaan tussen de christelijke gemeente en de specifieke seculiere cultuur waarin zij geplaatst is. Hoewel in oorspronkelijke zin wellicht de anti-hiërarchische bepaling van artikel 85 K.O. vooral ziet op  het feit dat de plaatselijke kerk als instituut niet één groot geheel is, maar de openbaring van het Lichaam van Christus op een bepaalde plaats, waarin alles aanwezig is, wat tot het wezen van een kerk behoort en daarom alle kerken gelijk zijn, kan daarin ook het missionaire karakter van de kerk ingelezen worden. Dit omdat niet de autoriteit van de kerk geldt, maar uitsluitend Christus autoriteit. Hij is het namelijk die zowel apostelen heeft aangesteld als profeten, zowel verkondigers van het evangelie als herders en leraren, om de heiligen toe te rusten voor het werk in zijn dienst. Zo wordt het lichaam van Christus opgebouwd, totdat wij allen samen door ons geloof en door onze kennis van de Zoon van God een eenheid vormen, de eenheid van de volmaakte mens, van de tot volle wasdom gekomen volheid van Christus.[13] Daaruit valt af te leiden dat de plaatselijke kerk een eigen verantwoordelijkheid heeft in haar dienst aan de Missio Dei. Kerkelijke besluitvorming moet er dan ook op gericht zijn dat plaatselijke kerken geholpen worden in de uitvoering van hun opdracht. En dat kan met zich meebrengen dat kerkelijke vergaderingen in hun besluitvorming rekening houden met de lokale verschillen waarin de plaatselijke kerken functioneren. Zwolle is geen Urk en Urk is geen Zwolle. Dan zou de vraag beantwoord moeten worden wat is dienstig aan de verkondiging van het Evangelie en hoe kan met de plaatselijke omstandigheden zodanig rekening worden gehouden dat op Urk en in Zwolle de eenheid, saamhorigheid en de gehoorzaamheid aan God worden bewaard of bevorderd? Het is niet zomaar de meerderheid die dat bepaalt, omdat haar overtuiging de doorslag geeft, maar het is de vraag of haar overtuiging alle kerken van het kerkverband ten goede komt, zonder gewetensbezwaar. Dat houdt ook in dat kerkelijke vergaderingen rekening houden met het feit dat elke plaatselijke kerk onder het directe en enige gezag van Christus zelf staat. Als dus een synode of classis bij meerderheid van stemmen besluit er doordrukt, raakt de eenheid beschadigd waardoor de kerken hun opdracht van Christus niet effectief kunnen uitvoeren. In het voorschrift dat er gemeenschappelijk overleg plaatsvindt en besluiten bij voorkeur unaniem genomen worden, is bovendien iets terug te zien van Jezus onderwijs aan de discipelen dat in de kerk het motto geldt: niet heersen, maar dienen.[14]

Het belang van de Ander
Het gaat er in de kerk in de eerste plaats niet om welke visie geldend zou moeten zijn, maar wat dienstbaar is aan de verkondiging van het Evangelie binnen het kerkverband en lokaal. Kerkelijke vergaderingen behoren daarom zorgvuldig te handelen bij het nemen van besluiten door echt gezamenlijk te overleggen en daarbij niet alleen rekening te houden met het eigen belang, maar ook met het belang van de ander; dat wil zeggen het belang van de ander om vruchtbaar de eenheid, saamhorigheid en gehoorzaamheid aan God te bewaren en te bevorderen. Gebeurt dat niet of onvoldoende dan komt de eenheid tussen en binnen de kerken in het gedrang. Dan verwordt orde tot knevelarij en dwang van de hiërarchie. Als kerkelijke vergaderingen goede besluiten nemen, dat zijn besluiten die helpen om als gezamenlijke kerken en als zelfstandige lokale kerken hun opdracht beter te kunnen uitvoeren, is de ‘tenzij-bepaling’ als noodventiel niet nodig. In het gemeenschappelijk  overleg gaat het er dan ook om dat er rekening wordt gehouden met het belang van de ander, omdat dat bij uitstek het belang van de Ander dient.[15]

Het dienstbaarheidsprincipe van het Koninkrijk van de hemel 
Zeker, kerkelijke besluiten zullen voor vast en bondig worden gehouden, tenzij. Artikel 31 K.O. begint niet met de ‘tenzij-bepaling’, maar met het voorschrift om besluiten te nemen die draagvlak hebben binnen het kerkverband en bij de plaatselijke kerken. Dat wil zeggen dat steeds, voorafgaand aan het besluit dus, tijdens het gemeenschappelijk overleg van de kerkelijke vergadering ook het missionaire aspect in de verschillende lokale contexten verdisconteerd moeten worden, zodat niet pas achteraf een minderheid zich gedwongen voelt om zich te moeten beroepen op de tenzij-bepaling. Daarmee kan vooraf voorkomen worden dat besluiten, die niet aanvaard kunnen worden op grond van de uitleg van de Schrift, de belijdenis of de kerkorde, toch aan bezwaarden worden opgedrongen of zelfs afgedwongen. Dat sluit aan op de gedachte dat niet het meerderheidsprincipe van de democratie, maar het dienstbaarheidsprincipe van het Koninkrijk van de hemel is bepalend in de kerk. Besluiten die de vrucht zijn van gemeenschappelijk overleg met inachtneming van de plaatselijke situatie zorgen voor een betere balans tussen de verantwoordelijkheid van kerkelijke vergaderingen zoals een classis of generale synode en de eigen verantwoordelijkheid van de plaatselijke kerk. Het versterkt daarmee het gezag en de aanvaardbaarheid van kerkelijke besluiten en is daarmee ook een probaat middel tegen indepentisme.  Er is daarom alle reden om als plaatselijke CGK vertegenwoordigd te zijn in de classis, particuliere synode en de aankomende generale synode van Hoogeveen. Uit wat immers tijdens en na de sluiting van de laatstgehouden generale synode  is gebleken, is dat synodebesluiten niet dienstbaar zijn gebleken voor de kerken in het geheel en evenmin voor een groot aantal plaatselijke kerken in het bijzonder. Aanwezig zijn op de generale synode Hoogeveen biedt de kerken de mogelijkheid  om vanuit een ander perspectief te kijken naar wat de kerken verdeeld houdt en in hoeverre niet alsnog de weg van de vrede kan worden gevolgd in het gezamenlijke belang en opdracht om het Evangelie te verkondigen, mensen tot discipelen te maken en zich in dienst te stellen van de Missio Dei in het diepe besef dat de kerk van de Heer is. Dat is zeker geen gemakkelijke weg, maar wel een weg die orde bevordert wat noodzakelijk is voor de verkondiging van het Evangelie, een weg die wanorde tegengaat, want onze God is geen God van wanorde, maar van vrede.
________________
[1] Van Harten-Tip, A. (2018b). DE DORDTSE KERKORDE 1619 Ontwikkeling, context en theologie [Thesis], pagina 5
[2] Selderhuis, H.J. (Red.). (2019). Handboek Gereformeerd Kerkrecht. Uitgeverij Groen, pagina 23
[3] Bonhoeffer, D. (2018). Navolging (Negende druk). Uitgeverij KOK Utrecht, pagina 175.
[4] a.w. pagina 178-179
[5] 16 Wat heeft de tempel van God met afgoden te maken? Wijzelf zijn de tempel van de levende God, zoals God heeft gezegd: ‘Ik zal bij hen wonen en in hun midden verkeren, Ik zal hun God zijn en zij mijn volk. 17 Daarom zegt de Heer: Ga weg bij de ongelovigen, zonder je van hen af en raak niets aan dat onrein is. Dan zal Ik jullie aannemen 18 en jullie Vader zijn, en jullie mijn zonen en dochters – zegt de almachtige Heer.’ 2 Korinthiërs 6:16-18;
[6] https://kerkrecht.nl/node/8805/, pagina 10
[7] 16 De elf leerlingen gingen naar Galilea, naar de berg die Jezus hun had genoemd, 17 en toen ze Hem zagen wierpen ze zich in aanbidding voor Hem neer, al twijfelden sommigen. 18 Jezus kwam dichterbij en zei tegen hen: ‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. 19 Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, 20 en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat Ik jullie opgedragen heb. En houd dit voor ogen: Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.’ Matteüs 28:16-20
[8] 12 U moet weten, broeders en zusters, dat wat mij is overkomen er juist toe bijdraagt dat het evangelie wordt verspreid. 13 Het is iedereen in het Romeinse hoofdkwartier en alle anderen duidelijk geworden dat ik gevangenzit omwille van Christus. 14 Bovendien durven de meeste broeders en zusters, omdat ze door mijn gevangenschap vertrouwen in de Heer hebben gekregen, de boodschap nu nog onbevreesder te verkondigen. 15 Sommigen doen dat weliswaar uit afgunst en rivaliteit, maar anderen verkondigen Christus met goede bedoelingen. 16 Zij doen het uit liefde, in het besef dat ik de taak heb het evangelie te verdedigen. 17 De eersten daarentegen verkondigen Christus uit geldingsdrang, met onzuivere bedoelingen, in de veronderstelling dat ze zo mijn gevangenschap verzwaren.18 Maar wat dan nog! Wat telt is dat Christus verkondigd wordt. Of het nu uit valse of oprechte motieven gebeurt – dát het gebeurt verheugt me. Philippians 1:12-18
[9] Rutgers, F.L. (1892-) Art. 1. (z.d.-b). https://kerkrecht.nl/node/1280/, pagina 4;
[10] Effusion - www.effusion.nl. (z.d.-e). Van de orde en discipline of tucht der Kerk | Nederlandse-Geloofsbelijdenis.nl. Belijdenis. https://www.nederlandse-geloofsbelijdenis.nl/parallel/artikel-32
[11] idem
[12] Johannes 17:20-21
[13] Efeze 4:11-14
[14] Jezus riep hen bij zich en zei: ‘Jullie weten dat heersers hun volken onderdrukken en dat leiders hun macht misbruiken. 26 Zo mag het bij jullie niet gaan. Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, moet dienaar van de anderen zijn, 27 en wie van jullie de eerste wil zijn, moet slaaf van de anderen zijn – 28 zoals de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.’ Matteüs 20:25-28
[15] ​1 Nu u door Christus zozeer bemoedigd wordt en liefdevol getroost, nu er onder u zo’n grote verbondenheid met de Geest is, zoveel hartelijk medeleven, 2 maak mij dan volmaakt gelukkig door eensgezind te zijn, één in liefde, één in streven, één van geest. 3 Handel niet uit geldingsdrang of eigenwaan, maar acht in alle nederigheid de ander belangrijker dan uzelf. 4 Heb niet alleen uw eigen belangen voor ogen, maar ook die van de ander. Philippenzen 2:1-4

Reactie toevoegen

De taalcode van de reactie.
Protected by Spam Master